Ziek van het vak

Hoge werkdruk, slecht management, lawaaiige kinderen, amper carrièrekansen, grote reorganisaties en vernieuwingen: het is een wonder dat niet méér leraren afbranden.

Hij weet nog goed hoe het begon. Victor Wolfs gaf biologieles aan 3 vmbo en opeens ging het niet meer. ``Het lag niet aan die klas, de leerlingen waren niet bijzonder vervelend. Maar ik was opeens volkomen leeg.'' Wolfs zat de les uit en ging naar de directeur. ``Een dag later zat ik thuis. Na ruim twintig jaar lesgeven. Burnt out.''

In zijn strak ingerichte twee-onder-één-kapwoning in Melick (Limburg), klopt Wolfs (46) op de leuning van zijn blauwleren fauteuil. ``In deze stoel heb ik begin 1999 een aantal maanden voor me uit zitten staren. Soms dacht ik: `Ik ga dat klusje doen'. Maar als ik opstond, was ik alweer vergeten wat ik van plan was.''

Het is een langzaam proces geweest, denkt Wolfs. Hij begon op zijn vijfentwintigste met biologie- en scheikundeles op scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs. Jarenlang deed hij het werk met `redelijk plezier'. ``Ik had af en toe van die dagen dat de leerlingen strontvervelend zijn en je denkt: `Ze kunnen barsten'. Dat heeft iedere leraar. Maar de laatste jaren kreeg ik dat gevoel steeds vaker. Ik kon mijn ei niet kwijt. Ik wilde kennis overbrengen en investeerde daar veel energie in. Maar in de klas was ik vaak politieagent aan het spelen: `Laat die pen liggen!', `Draai je om!', `Ga recht zitten!', `Nee, je mag nu niet naar de wc!'.''

Het heeft, zegt Wolfs, ook te maken met het lesniveau van de kinderen. ``Waarschijnlijk zijn leerlingen op de havo en het atheneum gemotiveerder. Bovendien kan je dieper op de stof ingaan.'' Aan de andere kant is de mentaliteit van alle leerlingen veranderd, denkt Wolfs. ``Hun bijbaantje is belangrijker dan school. Ze zijn assertiever en mondiger. Soms zelfs ronduit grof. Ik dacht vaak: `Laat de ouders verdorie hun kinderen zelf opvoeden'.''

Uit verschillende onderzoeken naar de kans op stress en burn-out blijkt dat leraren een van de belangrijkste risicogroepen vormen. Wolfs is dan ook bepaald niet de enige leraar die het lesgeven te veel werd. Het ziekteverzuim in het onderwijs is hoog, zeer hoog vergeleken bij het bedrijfsleven waar het zo rond de 6 procent schommelt. Bovendien stijgt het sinds 1998 gestaag, mogelijk door het snel stijgende lerarentekort en de bijbehoren verzwaring van de werkdruk. Onder basisschoolleraren was het ziekteverzuim vorig jaar 8,7 procent, tegenover 7,9 het jaar daarvoor. Onder leraren op middelbare scholen steeg het verzuim van 6,8 in 1999 naar 7,4 procent in 2000. In het speciaal onderwijs was het vorig jaar zelfs 9,4. In de ziekteverzuimcijfers wordt burn-out niet onderscheiden als aparte categorie. Wel is bekend dat aan zestig procent van het ziekteverzuim een `psychosociale' oorzaak ten grondslag ligt.

Juist wegens het lerarentekort is het hoge ziekteverzuim in het onderwijs extra wrang, vindt Marcel Touw, beleidsmedewerker bij het Vervangingsfonds, dat de vervangingskosten van zieke leraren betaalt. ``Leraren worden ziek, er zijn geen vervangers te vinden, want die hebben allemaal een vaste baan. Er wordt een beroep gedaan op de zittende leraren. Die raken overbelast en worden ziek. Het tekort wordt nijpender. En zo gaat dat door. Een vicieuze cirkel dus.''

Maar toch, burn-out heeft maar voor een deel te maken met werkdruk, zegt W. Schaufeli, hoogleraar organisatie-psychologie aan de Universiteit Utrecht. Een hoge werkdruk is vaak beter vol te houden als de werknemer het gevoel heeft dat het ook echt wat oplevert. Een verstoorde balans tussen de investering en de opbrengst van het werk is vaak de basis van burn-out. En bij leraren komt dat vaak voor, blijkt uit een proefschrift waaraan een promovendus van Schaufeli momenteel werkt. Net als bij Wolfs is een belangrijke stressbron de ongemotiveerde leerling, die met propjes schiet in plaats van aandachtig te luisteren naar de zorgvuldig voorbereide lessen van de leraar. ``Daarnaast'', zegt Schaufeli, ``speelt die verstoorde balans ook op twee andere vlakken een rol. Leraren zien collega's die zich nauwelijks inspannen, terwijl ze zichzelf uit de naad werken. En ze hebben het gevoel zich volledig in te zetten voor de school altijd inzetbaar zijn, extra klussen op zich nemen etcetera maar in ruil daarvoor geen enkele carrièrekans geboden krijgen.''

Het vervangingsfonds en de scholen hebben vorig jaar afgesproken nauwer te gaan samenwerken met de arbo-diensten, die het verzuim nader zullen gaan analyseren. Het fonds verdubbelt tevens het aantal regioadviseurs van negen tot achttien, die scholen met een hoog verzuim (ongeveer 1.100 van de 8.600) begeleiden. Verder komt er een landelijk netwerk van `zorgbemiddelaars' die moeten bekijken of leraren die langer dan zes maanden ziek zijn kunnen terugkeren in het onderwijs. En voor leraren die meer dan zes weken ziek zijn, wordt een individueel plan gemaakt om weer aan het werk te gaan. De bedoeling is dat het ziekteverzuim over drie jaar met één procent is teruggebracht.

Ruzie

Huib van Geffen (54) raakte in 1985 voor het eerst overspannen. ``Een akkefietje met `een zeikerd' van een rector was de aanleiding van mijn ziekte, maar niet de oorzaak. Ik had jarenlang keihard gewerkt en allerlei extra taken met plezier gedaan. Maar na die ruzie kreeg ik opeens kritiek, zelfs op mijn manier van lesgeven. Toen werd al het extra werk een enorme belasting.'' Toen zijn natuurkundelokaal zonder overleg voor een andere les werd ingeroosterd en hij daarna een chaos aantrof, barstte de bom. ``Ik heb mijn jas aangetrokken en ben naar huis gegaan.''

Van Geffen is inmiddels 28 jaar natuurkundeleraar, waarvan 25 jaar op het Casimir in Amstelveen dat onlangs fuseerde met het Nieuwer Amstel tot het Amstelveencollege. Op de tafel in zijn eengezinswoning in Uithoorn ligt een stapel gedeeltelijk nagekeken proefwerken. Hij schenkt een pilsje in, rolt een shaggie, zet de televisie af en gaat er eens goed voor zitten op zijn groenleren bank. Over ziekteverzuim kan hij meepraten.

Voor het onderwijs koos hij bewust na een studie natuurkunde. ``Begin jaren zeventig was het bedrijfsleven besmet, dat deed je gewoon niet.'' Bovendien beviel het lesgeven hem buitengewoon goed. ``Ik had goed contact met de leerlingen, ik zat met ze in de kroeg te kaarten. Ik vond het leuk om allerlei natuurkundeproefjes voor ze te bedenken.'' Naast het lesgeven, zat hij in allerlei commissies, was hij mentor en deed hij de schoolkrant erbij. ``Ook hielp ik bij de automatisering.''

Begin jaren tachtig werden met de bezuinigingen van Deetman de duimschroeven aangedraaid, zegt Van Geffen. ``Je kreeg voor extra klussen geen vrijstelling van lesuren meer. Scholen verzonnen creatieve oplossingen om zoveel mogelijk te realiseren met zo weinig mogelijk mensen. Het Casimir verkortte de lesuren naar 40 minuten. Ik heb jarenlang 32 lesuren per week gegeven.''

Onderwijs geven is topsport en slorpt je totaal op, vindt Van Geffen. Achteraf was het een belangrijke reden voor zijn scheiding, maar in 1992 kwam de mededeling van zijn vrouw als een donderslag bij heldere hemel. ``Ik kwam er toen achter dat het werk in het onderwijs alleen vol te houden is als het thuis op rolletjes loopt'', zegt Van Geffen. ``Voorheen had mijn vrouw een groot deel van het huishouden gedaan, nu moest ik naast het werk alles alleen doen.'' Minder werken zat er niet in met een hypotheek en alimentatie. Van Geffen raakte gestresst en opgefokt, rookte en dronk te veel. ``De hele tijd had ik maar één gedachte in mijn hoofd: `Als ik de kerstvakantie maar haal', `als ik de paasvakantie maar haal'.'' In 1995 stortte hij voor de tweede keer in.

Toch gelooft Touw van het Vervangingsfonds dat in het algemeen de sleutel van de verzuimbestrijding bij de scholen zelf ligt. ``Het is de organisatie die de mensen ziek maakt.'' Met name de rol van de schoolleider of de rector is van groot belang bij verzuimbestrijding. ``Als een school gezegend is met goed leiderschap, een man of vrouw die oog heeft voor de problemen van de mensen'', zegt Touw, ``daalt bijna altijd het verzuim.'' Hoogleraar Schaufeli beaamt dat. Maar volgens hem speelt daarbij ook mee dat het onderwijs, net als de politie en de zorg, steeds meer wordt afgerekend op resultaat: de inspectie komt de school doorlichten en de resultaten worden gepubliceerd op internet. Ook slagingspercentages en Cito-scores zijn niet langer geheim. ``De verantwoordelijkheid voor het personeel wordt wel gevoeld door het management, maar het is geen onderdeel van het beleid. Managers zien vaak wel dat een onderwijzer op zijn tandvlees loopt, ze komen immers vaak zelf uit het onderwijs, maar ze hebben het gevoel er niets aan te kunnen doen. De leerlingen moeten wel les krijgen.''

Kortom, scholen zouden professionele, moderne arbeidsorganisaties moeten worden. Dit werd al eerder, in 1993, gesteld door de Commissie Toekomst Leraarschap, onder voorzitterschap van Andrée van Es. De commissie vond dat, om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken, de arbeidsstructuur in het onderwijs moest worden opengebroken. Van Es wilde een einde maken aan het ``alles opvretend vacuüm tussen de centrale regelgeving en de solitaire professional voor de klas'', zei ze destijds. Leraren zouden minder uren voor de klas moeten staan, zelf beginnende of onbevoegde collega's opleiden en niet langer moeten worden betaald op grond van diploma en leeftijd, maar naar bekwaamheid en functie-inhoud. Het onderwijs zou een fatsoenlijke werkgever moeten worden, met zorg voor de werknemer. Dat zou de zwaarte van het beroep aanzienlijk verlichten, dacht Van Es.

Vernieuwingen

Hoewel Van Es zei te hopen dat haar rapport niet `als de zoveelste circulaire op de deurmat van scholen zal ploffen', is er weinig van de aanbevelingen terechtgekomen. Zo is er de afgelopen jaren weinig veranderd aan de werkdruk van leraren, blijkt uit het rapport `Education at a glance, 2000' van de Organisatie voor Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Leraren op middelbare scholen geven 900 uur per jaar les, in de buurlanden Is dat 750 uur. Daarnaast is er geen sprake van coherent beleid, vindt Schaufeli. ``Leraren krijgen allerlei vernieuwingen voor hun kiezen, de invoering van de basisvorming, Tweede Fase, het vmbo. Dat moet allemaal naast hun gewone werk gebeuren. Dat veroorzaakt een hoop onrust en stress.''

En nog steeds zijn binnen de scholen variatie van werkzaamheden en carrièremogelijkheden nihil. Wolfs zegt het zo: ``Volgens de reclame die minister Hermans voor het lerarenvak maakt is het elke dag anders. Maar dat is helaas niet waar. Het is elke dag hetzelfde. Het is eentonig en voorspelbaar en je kan dat niet veranderen. Je draait elke dag hetzelfde lesje af.''

Maar ook een carrière in het onderwijs en verandering van baan zijn geen garantie tegen burn-out. Begonnen als lerares Engels, op een dag- en avondschool (meao) voor volwassenen in Goes, rolde bijvoorbeeld Corry Verpalen (50) het management in. ``Ik was gescheiden en zocht financiële zekerheid. Dat soort overwegingen spelen dan mee.'' Aanvankelijk combineerde ze het met lesgeven in de Engelse literatuur, in 1992 werd ze fulltime conrector. ``Het was wel even slikken. Ik vond het lesgeven erg leuk maar ik dacht me in een nieuwe richting te kunnen ontwikkelen.''

Na de eerste fusie in 1994 met een college voor middelbaar beroepsonderwijs (mbo) werd ze van conrector vestigings-coördinator, maar inhoudelijk veranderde het werk weinig. De ROC-vorming in 1997, waarbij bijna alle mbo-scholen moesten fuseren tot grote onderwijsconglomeraten – de regionale opleidingscentra (ROC's) – was veel ingrijpender. Verpalen: ``Ik zag dat we een schakeltje in een enorme machine zouden worden. We moesten gaan samenwerken met concurrenten. Elke beslissing moest worden vastgelegd op papier. Eigenlijk wilde ik geen manager zijn binnen zo'n grote organisatie.''

Ze deed het wel en werkte nog een jaar stug door. ``Ik probeerde me zo min mogelijk aan te trekken van de toegenomen bureaucratie, maar ik kon mijn ogen niet sluiten voor de onvrede van de docenten. Niemand stond achter de fusie. Idealisme maakte plaats voor angst. Er werd geschoven met mensen. De werkdruk nam enorm toe omdat tegelijkertijd de inhoud van de opleiding moest worden aangepast. In een paar jaar tijd veranderde de eindtermen van de meao twee maal. Aanvankelijk hadden we een dun boekje met eindtermen, na 1997 hadden we 23 ordners staan! En we moesten zelf toetsten gaan maken. Natuurlijk kreeg niemand daar extra tijd voor. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Ik had als middenmanager geen enkele macht er iets aan te doen.''

Reorganisaties zijn inderdaad een notoire oorzaak voor ziekteverzuim, zo blijkt uit een recent Fins onderzoek. Hoe ingrijpender de reorganisaties, hoe hoger het ziekteverzuim. In de loop van het tweede jaar ging het bij Verpalen fout. ``Ik sliep al langer slecht, maar meestal ging dat tijdens de vakanties beter. Maar nu deed ik ook tijdens de kerstvakantie geen oog dicht.'' Verpalen zocht hulp bij een therapeut. ``Ik hoopte dat zij mij kon helpen het werk beter van me af te zetten.'' Stoppen kwam niet bij haar op. ``Het eerste wat ik tegen die therapeute zei was: `Wat je ook zegt, ik werk door'.''

Totdat ook dat niet meer ging. Toen haar directe baas, een manager op een andere locatie, het vertrouwen in haar opzegde na een negatieve personeelsenquête, die overigens erg bleek mee te vallen, hield het op. ``Ik lag `s nachts in bed te kokhalzen, alleen de gedachte aan school maakte me fysiek misselijk. Ik was mijn zelfvertrouwen volledig kwijt, mijn gedachten bleven malen, ik had geen moment van rust.'' Om niet depressief te raken, maakte ze dagelijks een lange wandeling, hoewel ze als de dood was iemand van school tegen te komen. ``Ik schaamde me. Ik had het gevoel gefaald te hebben. Al vrij snel wist ik zeker: Niet meer terug in het onderwijs, en zeker niet in een managementfunctie.''

Zo populair als het `jobhoppen' in andere sectoren mag zijn, leraren blijken trouw aan hun missie. ``Ze moeten wel alternatieven zien'', zegt Schaufeli. ``Voor leraren met een specifieke vakkennis liggen de mogelijkheden voor een baan op hetzelfde niveau bepaald niet voor het oprapen. Datzelfde zie je bijvoorbeeld bij gevangenisbewaarders en hulpverleners in jeugdinternaten. Ze zijn vaak ontevreden, het ziekteverzuim is hoog, maar bij gebrek aan perspectief blijven ze.''

Eigenwijze knakkertjes

Natuurkundeleraar Van Geffen overwoog tijdens zijn eerste burn-out serieus om uit het onderwijs te stappen. ``De ICT-sector kwam net een beetje op. Maar ik realiseerde me dat ik het niet leuk zou vinden. Zowel natuurkunde als het lesgeven zijn mijn lust en mijn leven. Nog steeds slaat mijn hart een keer over als er weer een leerling na het eindexamen natuurkunde gaat studeren. Onderwijs blijft het mooiste vak van de wereld. Ik vind die eigenwijze knakkertjes van kinderen gewoon leuk. Natuurlijk kan je ze soms door de wc trekken, maar zo was ik vroeger ook. Ze zijn mondiger geworden, maar ik hou wel van argumenteren.''

En Wolfs vindt, als hij terugkijkt, dat hij de beslissing om uit het onderwijs te stappen, eerder had moeten maken. ``Pas toen ik maanden thuis zat, begon het tot me door te dringen dat ik echt niet terugwilde. Maar dan komt de grote vraag: Wat dan?'' Na een opleiding tot WOZ-taxateur werkt Wolfs sinds twee maanden bij de gemeente. ``En dat bevalt prima.''

Verpalen volgt nu een opleiding tot loopbaanadviseur, maar vond het `flink slikken'. ``Je gaat niet het onderwijs in voor het grote geld, je enige drijfveer is idealisme. Maar met idealisme red je het niet. Dan geef je te veel van jezelf en krijg je er te weinig voor terug.'' Volgens haar halen alleen de niet-idealisten onverzuurd hun pensioen.

Van Geffen geeft toe dat hij na de tweede burn-out met een andere mentaliteit is teruggekeerd. ``School bepaalt minder mijn leven, ik neem veel meer tijd voor mezelf: ik ga vissen, bridgen, doe een cursus stijldansen en ga af en toe naar een concertje. Ik bedenk toetsvragen niet meer zelf, maar haal ik ze uit een boekje. Ook zit ik niet meer uren nieuwe natuurkundeproeven voor leerlingen te bedenken. Zo is het tot mijn 62ste tenminste nog vol te houden.''

    • Sheila Kamerman