Verdachte filters

Zonnebrandmiddelen beschermen tegen huidkanker, maar Zwitserse onderzoekers hebben ontdekt dat veel van die middelen UV-filters bevatten die de hormoonhuishouding kunnen beïnvloeden. Het gaat om drie van de twintig toegestane UV-filters. De Deense overheid vond daarom eind april dat zonnebrandmiddelen met die drie UV-filters de winkels uit moesten. Een paar dagen later, na een storm van kritiek, stelde de Deense Environmental Protection Agency (Milj⊘styrelsen) haar advies bij tot één UV-filter. Het Nederlandse ministerie van volksgezondheid liet de zonnebrandcrèmes ongemoeid, op advies van deskundigen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Een controverse was geboren toen drie Nederlandse hoogleraren toxicologie stelden dat de overheid op zijn minst moet waarschuwen voor de mogelijke risico's van middelen met de drie verdachte UV-filters (4-methylbenzylidene camphor, octyl methoxycinnamate en benzophenone-3). GroenLinks-Kamerlid Van der Steenhoven vroeg de ministers Borst en Pronk afgelopen dinsdag waarom dat advies niet wordt opgevolgd. Het zijn schriftelijke vragen; het antwoord laat nog op zich wachten.

Het rumoer ontstond kort na publicatie van het Zwitserse onderzoek in het gerenommeerde tijdschrift Environmental Health Perspectives (maart 2001) naar de oestrogene eigenschappen van zes UV-filters. Margaret Schlumpf en vijf collega's van het instituut voor farmacologie en toxicologie van de universiteit van Zürich kozen voor hun onderzoek zes oestrogene UV-filters die zich in het milieu ophopen. In het Meerfelder Maar, een meer in de Duitse Eifel, troffen onderzoekers in 1991 en 1993 vier UV-filters in het vetweefsel van voorn en baars aan. In het Meerfelder Maar zwemmen ook ingesmeerde mensen. Ze concluderen, ook op grond van onderzoek van anderen: ``Mensen kunnen aan UV-filters blootstaan door opname door de huid en door de voedselketen.'' Twee van de zes onderzochte filters zijn ook in moedermelk aangetroffen.

De Zwitsers gebruikten een drietraps testsysteem van steeds bewerkelijker en dieronvriendelijker proeven. De ultieme test was een smeertest, waarmee alleen 4-methylbenzylidene camphor (4-MBC) werd getest. De onderzoekers doopten haarloze ratten in olijfolie waaraan 2,5, 5,0 of 7,5 gewichtsprocenten 4-MBC was toegevoegd. In de EU zijn zonnebrandcrèmes toegestaan die maximaal 4 procent 4-MBC bevatten. Als proefdier gebruikten de Zwitsers jonge vrouwtjesratten van 21 dagen oud die net in hun `puberteit' kwamen. Dan zijn ze extra gevoelig voor hormonale, oestrogene effecten. Vijf dagen lang, tweemaal daags ondergingen de dieren die behandeling, waarna ze onder lichte verdoving werden onthoofd. De baarmoeders van de ratjes die UV-filter via hun huid hadden opgenomen waren minstens 25 procent zwaarder dan die van controledieren die in olijfolie zonder UV-filter waren gedoopt. Bij de 5 procents-oplossing was het effect het grootst en waren de baarmoeders gemiddeld ongeveer 50 procent zwaarder. Het Deense Environmental Protection Agency vindt op grond hiervan dat zonnebrandcrèmes met 4-MBC eigenlijk uit de schappen moeten.

Het RIVM vindt deze huidtest echter minder relevant: ``Deze dosering is vele malen hoger dan de verwachte dosis bij normaal gebruik van zonnebrandmiddel door de mens. De geschatte dosis voor de mens bedraagt namelijk 0,3 mg 4-MBC per kilo lichaamsgewicht.'' De ratten kregen 37 mg per kilo lichaamsgewicht per dag op hun huid.

De toxicologiehoogleraren Martin van den Berg, Bob Kroes en Willem Seinen van het Institute for Risk Assesment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht schrijven daarentegen dat bij de ratten ``de concentraties in dezelfde ordegrootte lagen als in de zonnebrandcrèmes''. Belangrijker is dat deze filters zich ophopen, zodat de dosis in een zonnige zomer veel hoger kan oplopen en dat er risicogroepen zijn te onderscheiden. Kinderen die puberen en vrouwen die een hormoongevoelige borstkanker hebben of hebben gehad zouden beter andere filters kunnen kiezen. Het wetenschappelijk comité van cosmetische producten van de Europese Unie velt op 29 mei een definitief oordeel, maar vindt voorlopig de huidsmeertest ``ongeschikt'', de gebruikte concentraties ``onwerkelijk'', terwijl de uitvoering ``belangrijke technische tekortkomingen'' vertoont.

De eerste stap in de Zwitserse testbatterij was het proefdiervrij testen van UV-filters op celkweken van menselijke borstkankercellen. Die cellen hebben oestrogeenreceptoren en als daar oestrogeen-gelijkende chemicaliën aan hechten, delen die cellen sneller. Dat wil nog niet zeggen dat diezelfde stoffen in levende dieren en mensen ook altijd een oestrogene werking hebben, want sommige verbindingen worden in een levend lichaam snel omgezet in andere verbindingen met een andere, vaak onschuldiger werking. De test heeft ook geen goed voorspellend vermogen om effecten, zoals kanker, te voorspellen.

Oestradiol

Vijf van de zes geteste UV-filters had in die celkweekscreening een oestrogene werking. Het RIVM merkt op dat de UV-filters in een miljoen maal hogere concentratie moesten worden toegediend als oestradiol (het natuurlijke oestrogeen). Maar Van den Berg, Kroes en Seinen vinden dat geen zinnig bezwaar, want die miljoen maal hogere concentratie komt in de praktijk voor. De UV-filters hopen zich bovendien op in het milieu (vis) en in menselijk vetweefsel (waaronder de vrouwenborst) en dat doet oestradiol niet, schrijven zowel de Zwitserse onderzoekers als de Utrechtse toxicologen.

De vijf UV-filters die in de screeningstest reageerden gingen door naar de eerste rattentest. De proefdieren (ook weer jonge vrouwtjes) kregen de filters in het voer, in verschillende concentraties. Van de vijf filters vielen er drie door de mand. Tegen die drie stoffen willen de IRAS -toxicologen een winkelwaarschuwing, gericht op de risicogroepen. Maar het RIVM adviseert de Nederlandse overheid het winkelschap ongemoeid te laten. Volgens het RIVM is de test nog niet gevalideerd. Het RIVM vindt, alles samenvattend, de studie ``dubieus''. Van den Berg, Kroes en Seinen zeggen echter dat het ``qua methodologische en wetenschappelijke aanpak geenszins een dubieuze studie'' is en dat de effecten zo groot zijn dat bijvoorbeeld nieuwe bestrijdingsmiddelen met dezelfde testuitslag nooit zouden worden toegelaten.

Consumenten die de verdachte UV-filters niet willen smeren moeten vooralsnog de ingrediëntenlijst op de zonnebrandflacons bestuderen.