Van Kwaad tot Erger

Er is een tijd geweest dat nagenoeg heel links Nederland, in het kielzog van Van Kemenade en consorten, de zegeningen van de middenschool verkondigde. Wonderlijk genoeg gold dit niet voor al die tienduizenden die daadwerkelijk onderwijs gaven: de leraren. In die kringen is de middenschool nooit populair geweest. Dit terwijl de meeste leraren in de jaren zeventig toen deze discussie speelde, stemden op linkse partijen. Daarvan getuigden de resultaten van de schaduwverkiezingen die in die tijd veelvuldig onder leraren en scholieren werden gehouden. Scholieren kozen daarbij vooral voor PPR, PSP, CPN en meer van dat kleine grut, leraren vaker voor PvdA of D66, weinig confessioneel en hoogst zelden VVD. Op grond van hun politieke gezindheid had het dus voor de hand gelegen dat leraren voorstanders waren geweest van de middenschool. Ze waren dat niet. Kortom, links was eensgezind voorstander van de middenschool met uitzondering van de ervaringsdeskundigen bij uitstek, de leraren.

Deze geschiedkundige absurditeit werd voor mij weer actueel dankzij het zeer fraai en in eigen beheer uitgegeven `Van Kwaad tot Erger, Achtergronden en ontwikkelingen van dertig jaar onderwijsbeleid' (te bestellen via e-mail j.traas@planet.nl). Daarin blikt oud-rector J.C. Traas terug op een episode uit de onderwijsgeschiedenis die hij indertijd mede vorm heeft gegeven als bestuurder van het NGL, het Nederlands Genootschap voor Leraren. Het Weekblad van die vereniging was in die roerige tijden de belangrijkste spreekbuis voor leraren uit het voortgezet onderwijs.

Traas beschrijft hoe het bestuur van het NGL midden 1976 werd opgeschrikt door het proefschrift van de latere voorzitter van de Onderwijsraad, J.M.G. Leune, `Onderwijs onder druk'. Die schrik was begrijpelijk omdat daarin de opvatting werd gehuldigd dat de politiek zich inzake onderwijsvernieuwing niets aan de leraren gelegen moest laten liggen. `De overheid moet een eigen beleid voeren', aldus Leune, `en ernaar streven de vernieuwingsbereidheid onder leraren te vergroten door middel van verplichte her- en bijscholing.' Het strekt de latere P.C. Hooftprijs-winnaar Cornelis Verhoeven tot eer dat hij dat toen al omschreef als het terugvallen op de meest barbaarse en totalitaire methoden.

Traas heeft de geschiedenis van deze strijd tussen leraren, gesteund door vele erudiete prominenten als A.D. de Groot en Duijker, en de rest van `progressief' Nederland nog eens op een rij gezet. Daarbij valt op hoe zeer het NGL poogde in debat te raken met voorstanders van de middenschool. Dat dit nooit echt lukte was niet het gevolg van de opstelling van de leraren, maar van de politiek, van de vaak zeer verpolitiekte ambtenaren en van het hele onderwijskundige circus om dat onderwijs heen. Leraren waren reactionair, zo luidde hun evangelie, onderwijs moest worden vernieuwd, maar daar waren wel heel andere leraren voor nodig. Vandaar de nlo's, de nieuwe lerarenopleidingen, waar, zoals ikzelf heb mogen ervaren, socio-, andra- en pedagogen die het onderwijs alleen vanuit de schoolbanken kenden, `nieuwe' leraren opleidden. De onredelijkheid kwam niet van de leraren maar van Van Kemenade en zijn talloze napraters die zich lieten leiden door het waanbeeld van de maakbare leraar voor de maakbare school.

Dit heeft geleid tot een diep geworteld wantrouwen van de onderwijspraktijk ten opzichte van politiek, beleid, opleidingen en nascholing. Dat wantrouwen zal blijven bestaan zo lang het mislukken van onderwijsvernieuwingen wordt verklaard uit het gebrek aan medewerking en enthousiasme bij leraren, waarbij altijd weer de hang doorklinkt naar de indertijd door Leune gepropageerde verplichte heropvoeding.

prick@nrc.nl