Tutti ladri

Mooi land, Sicilië. Ik was er nog nooit geweest en heb volop genoten van de eeuwenoude cultuurschatten, de lentepracht van de natuur, het weer, de wijn, de regionale keuken. Palermo lijkt, ondanks de miljardensubsusidies die de EU in achtergebleven regio's pompt, de achterbuurt van Europa te blijven. Schilderachtig, zoals achterbuurten horen te zijn. Er wordt weliswaar gebouwd en gerestaureerd, maar toch staan veel palazzi op instorten en de schade uit de Tweede Wereldoorlog is nog steeds niet hersteld.

Van de maffia merk je niets. Dat had ik natuurlijk ook niet verwacht. Stel je voor dat een verweerde Siciliaan zich aan je komt voorstellen als capo di tutti capi of een minder soort Don. Een buitenlandse toerist in Nederland merkt ook niets. Ja, wel van de kleine, maar niet van de grote criminaliteit. De VVV heeft wel iets anders te doen dan bezoekers te verwijzen naar Mink K. of uit te leggen dat in Nederland ministers in het parlement een zwijgplicht hebben over deals van Justitie met criminelen. Ik vrees dat het primaat van de politiek in Nederland langzamerhand onder druk komt te staan van de onderwereld, wat in Sicilië van oudsher het geval schijnt te zijn.

Waar je ook nauwelijks iets van merkt, als toerist in het land waar de citroenen bloeien, is dat daar morgen verkiezingen zijn. En dat was nu juist weer geheel tegengesteld aan mijn verwachting. Is er een land waar met meer passie aan politiek wordt (nee: werd) gedaan? Mogelijk is Sicilië niet maatgevend en wordt mijn beeld vertroebeld door herinneringen aan andere tijden en andere regio's. Op elk pleintje, op ieder caféterras, in elk dorp en iedere stadswijk woedde voorheen in Italië het politieke debat als een volkssport, zo leek het. Iedere groentenman was ideoloog, elke arbeider filosoof, alle intellectuelen activist, de werken van Antonio Gramsci lagen in de supermarkt naast de bidprentjes van Padre Pio. Waar zijn Don Camillo en Peppone gebleven?

De Italiaanse politiek is zo dood als een pier.

Natuurlijk hangen er affiches met portretten van kandidaten. Daar kun je eigenlijk al aan afzien dat Berlusconi de meeste kans maakt op de overwinning: zijn aanplakbiljetten ogen brutaal, agressief, zelfverzekerd. De posters van de regeringscoalitie, met een olijf als symbool, steken daar bleekjes bij af, onopvallend, met fletse kleuren en nietszeggende frasen. Soms verschijnt er in het straatbeeld een kandidaat van de Olijf – de bonte verzameling partijen die de linkse kandidaat Rutelli steunt – om een toespraak te houden. Niemand luistert. Geen hond die 't interesseert.

Tutti ladri, zeggen de voorbijgangers desgevraagd: allemaal dieven. En de grootste dief krijgt natuurlijk de meeste stemmen. Ik wil proberen me te hoeden voor generaliserende observaties, maar het moet me van het hart dat ik veel Italianen ervan verdenk een grote bewondering voor dieven te koesteren. Hoe is de aanhang van Berlusconi anders te verklaren? Politiek is smerig, verdacht en saai, vinden vooral de jongeren. Berlusconi heeft er dan ook vanaf afgezien een verkiezingsprogramma op te stellen. In plaats daarvan heeft hij alle Italianen verblijd met een boek vol kleurenfoto's van zichzelf.

Wat me het meest opviel was de ronduit timide opstelling van het vroeger zo levenslustige en naar verhouding vrolijke links. De partijen van de Olijf, waarvan de ex-communistische de grootste is, hebben kennelijk nooit aan het idee kunnen wennen dat ze echt in de regering zitten. Ze gedragen zich dermate defensief, dat het lijkt alsof Berlusconi allang aan de macht is en zij de oppositie vormen. De opheffing van het oude politieke systeem – de verspintering van de corrupte christendemocratische partij, de ondergang van de nog corruptere socialisten en de omvorming van de communistische in een sociaal-democratische partij – heeft geen vernieuwing gebracht, maar politieke apathie.

Als de voorspellingen uitkomen en Berlusconi met de neo-fascist Fini en de nationalistische gek Bossi van de Lega Nord de Italiaanse regering gaat vormen, is dat mede de verantwoordelijkheid van het slome en timide links. Onverschilligheid is troef. De Italianen interesseren zich alleen nog maar voor voetbal. Een dermate van de politiek afgewend land verdient een man als premier die – zoals The Economist aantoonde – zijn zakenimperium heeft gebouwd op belastingontduiking, belangenverstrengeling en witwaspraktijken. Het verdient als vice-premiers een bewonderaar van Mussolini en een racistische clown die van mening is dat Europa in handen is van communistische vrijmetselaars en pedofielen.

Geen wonder dat sommige Italianen zich bij voorbaat schamen en dat een gezaghebbende schrijver als Umberto Eco deze week zijn stem verhief om te waarschuwen tegen een regime dat is gebaseerd op showbusiness en monopolisering van informatie.

Het is bewonderenswaardig dat onafhankelijke geesten als Eco de gevaren die een samenleving bedreigen analyseren en het publiek waarschuwen. Er is gevaar, al zou het overdreven zijn om te denken dat Italië onder Berlusconi aan de rand van de fascistische afgrond komt te staan of onvoldoende is verankerd in Europa.

Wel zie je aan zo'n verkiezingscampagne af waar politieke afstomping en onverschilligheid op kan uitlopen. De uitholling van het partijenstelsel, dat zich had gediskwalificeerd en in discrediet gebracht, kan er vervolgens toe leiden dat een groot deel van het publiek de democratie niet meer van genoeg belang vindt om zelfs maar de moeite te nemen in het democratische proces te participeren. De hoogste bieder, de rijkste patser, mag gaan regeren. Dat is pas uitverkoop van beschaving.

In dat licht komt de door de SP geïnitieerde aanval op Paars, die ik bij thuiskomst aantrof onder de alarmerende flauwekulslogan `Stop de uitverkoop van de beschaving', ronduit potsierlijk over. Vergelijk de keurige, sociale en democratische premier Kok die door zijn beoogd opvolger van ideologische fletsheid wordt beticht, eens met de schuimbekkende moneymaker Berlusconi. Dan valt het ineens reuze mee met de beschaving in Nederland. Berlusconi en zijn twee diefjesmaten zijn niet te vergelijken met het drietal Kok, Jorritsma en Borst. En de ondertekenaars van het belachelijke anti-paarse pamflet in de verste verte niet met Umberto Eco.