Signaalspiegeltje

Veel heeft het veldwerk in de Belgische bergen niet opgeleverd. De bedoeling was met een plastic zak water te winnen uit een bebladerde boomtak maar op 500 meter boven zeeniveau bleek het nog hartje winter: er was geen boomblad te vinden, afgezien van de sparrenaalden waaruit niet veel vocht werd verwacht. Het groeiseizoen in de Ardennen duurt maar vijf maanden en vorige week was het nog niet begonnen.

Overwogen is nog de in de rugzak meegevoerde pedaalemmerzak om het ontblote been te monteren en dan maar in hemelsnaam het eigen verdampingsvocht, de perspiratio insensibilis, op te vangen (thee uit eigen lichaam) maar het is niets geworden. Men komt niet vooruit met een been in een pedaalemmerzak. Later in het jaar zal het boombladonderzoek opnieuw worden opgepakt.

De inspiratie voor het pedaalemmeronderzoek aan bebladerde takken kwam van de `SAS Survival Guide' die hier twee weken geleden is besproken. De SAS-gids is een handzaam en betaalbaar boekje boordevol tips voor de stadsbewoner die onverwacht in een onmetelijke hoeveelheid natuur aan zichzelf en zijn zelfredzaamheid wordt overgelaten. De gids vertelt hem welke planten hij moet opeten en welke niet en hoe hij in het wild de weg vindt. Het oordeel was ongunstig: veel leek flauwekul of op zijn minst onpraktisch. En passant werd gehoond op de suggestie dat men het zuiden zou kunnen vinden door de resten van omgezaagde bomen te bestuderen. De jaarringen van een boom zijn aan de zuidzijde (`aan equator-zijde') altijd het dikst, schrijft de SAS, dus wie de oriëntatie kwijt is moet een omgezaagde boom opzoeken. Als het waar was zouden alle bomen op doorsnede ovaal zijn, was de AW-overweging, dus het is niet waar. Later rees toch twijfel. Er schoten groeimodellen te binnen waarbij het mogelijk was dat de boomstam perfect rond bleef terwijl de kern toch ver buiten het centrum kwam te liggen. Dus werd besloten ook dit aspect nader te onderzoeken. Aan omgezaagde bomen is in de streek waar de Belg Duits spreekt geen gebrek. Men dunt er sparren dat het een aard heeft en laat de stobben stilletjes staan.

Welnu, er was geen sprake van een systematische verdikking van de jaarringen aan de zuidzijde. Meestal waren de jaarringen rondom overal even dik (wat midden in een dicht sparrenbos ook voor de hand ligt) en als dat niet zo was zat de verdikking op een willekeurige plaats. Het was dan ook een geruststelling later thuis in het sympathieke `Finding your way without map or compass' van Harold Gatty, een facsimile-uitgave van Dover Publications, te lezen dat de verdikking juist aan de noordzijde te verwachten is. Het navigeren op jaarringdikte was al bekend bij Da Vinci, schreef Gatty in 1958. En de gebruiksmogelijkheden werden bevestigd door Amerikaans onderzoek aan 700 inheemse sparren (black spruce) waarvan 94 procent de sterkste diktegroei aan noord- en oostzijde bleek te bezitten en 6 procent juist aan de andere kant. De kans dat je op grond van waarnemingen aan één stobbe net de verkeerde kant op trekt is dus altijd nog 1:16 zou je zeggen. Anderzijds: je zult toch iets moeten doen om uit de penarie te raken.

Het onderzoek naar de praktische gebruiksmogelijken van het apparaatje dat hier is afgebeeld vond plaats binnen de beschutting van het AW-laboratorium. Het gaat om de toepassing van het signaalspiegeltje, door de SAS een `heliograph' genoemd. Het signaalspiegeltje wordt in stelling gebracht als men hopeloos is verdwaald en besluit juist niets anders meer te doen dan kalm op redding wachten. Met het signaalspiegeltje maakt men de redders in spe attent op de situatie en leidt men ze naar de juiste plaats.

Dat kan alleen overdag als de zon schijnt, want het is de bedoeling dat het zonlicht in de richting van de redders wordt geworpen, dat die het geblikker van het spiegeltje zien. De vraag is: hoe richt men het spiegeltje zó dat de kans op ontdekking maximaal is? Wie denkt dat het voldoende is om zomaar wat woest met het ding om zich heen te zwaaien (`sweep the horizon') komt bedrogen uit. Probeer het in de huiskamer met de reflectie van één enkele gloeilamp en stel vast dat het lichtvlekje grote delen van het interieur mist. Als daar de redder zat of vloog zag die niets.

Er komt beleid aan te pas. Bedenk: wie in klaslokaal of kantoortuin de medemens eens treiteren wil met hinderlijk zonlicht kan de voortdurend waarneembare zonnereflectie kalm de juiste kant op manoeuvreren. Wie de lichtvlek precies op een vliegtuig of schip in de verte wil plaatsen ziet de reflectie zelf niet. Wat te doen? De oplossing is in veelvoud te vinden op internet. Houd het spiegeltje voor het niet-dominante oog en werp het zonlicht dat hij weerkaatst op twee vingers die samen het V-teken maken, daarbij de arm van de hand van die vingers maximaal strekkend. Breng vervolgens het reddende vliegtuig of schip binnen de V van de vingers, dan gaat de zonnestraal precies de goede kant op.

Een miswijzing van een graad of vier (door parallax) is niet te vermijden, het onwillekeurig beven van de hand maakt dat goed. Wie de parallax geheel wenst uit te schakelen moet niet langs maar door het spiegeltje kijken. Vandaar dat echte signaalspiegeltjes zijn voorzien van een centraal gat.

Meer zou je niet willen weten over signaalspiegeltjes, ware het niet dat er doorboorde spiegeltjes zijn die aan twee zijden spiegelen. Het juiste gebruik van dit spiegeltje is niet iedereen bekend en het was een verrassing het zomaar, ere wie ere toekomt, bij de SAS te vinden. Het gaat zo: houd het spiegeltje voor het gezicht in de richting van de zon. Bekijk dan het eigen spiegelbeeld en merk op dat het centrale gat een lichtvlek op het gezicht werpt. Draai het spiegeltje zó dat het lichtvlekje op het centrale gat valt en probeer daarna ook nog het reddende vliegtuig binnen dit gat te krijgen. `t Is een heidens karwei, maar als het lukt, dan gaat de straal precies de goede kant op – de theorie klopt. De praktijk niet: in een woelige zee wordt het sowieso niks, maar in veel gevallen valt er helemaal geen schaduw op het gezicht.