Rome we komen

Het min of meer thematische eerste nummer van jaargang 2001 van het Tijdschrift voor Geschiedenis bevat vier artikelen die een aspect van `tijd' en `tijdsbesef' behandelen. De bijdrage van de Nijmeegse hoogleraar Peter Rietbergen, getiteld `De eeuwige stad als tijdmachine: cultuur en politiek in de drie Romes', stelt twee kwesties aan de orde: op welke wijze hebben de talloze bezoekers door de eeuwen heen Rome het mythische imago van `eeuwige stad' bezorgd en op welke wijze hebben de Romeinse machthebbers zelf een bijdrage aan de opbouw en instandhouding van dit imago geleverd.

Rietbergen maakt aannemelijk dat vooral Goethes Italienische Reise (1786) een zwaar stempel gezet heeft op het beeld van Rome als `Hauptstadt der Welt'. Sinds Goethe is het gemeengoed om Rome niet te zien als één stad, maar als een veelvoud van steden. Bertus Aafjes vergeleek, geheel in de geest van Goethe, Rome met een ui: telkens als er een schil afgehaald wordt, komt een nieuwe schil bloot. Dwalend door Rome loopt men inderdaad op vele plaatsen regelrecht van de klassieke oudheid via de middeleeuwen de barokke zeventiende eeuw binnen.

Belangwekkend is de verklaring die Rietbergen aanvoert waarom Rome zijn reputatie van eeuwigheid verkreeg en deze wist te behouden. Hij zegt dat deze stad in uiterlijk en levensstijl altijd een fase achter lijkt te liggen bij de eigen tijd van de bezoeker. Een stad die vooral de boodschap van het heden uitroept – met wolkenkrabbers, gabbercultuur, neonreclames en billboards – kan ons nooit het gevoel van eeuwigheid geven. Steden als Venetië, Florence en Siena zijn onmiskenbaar oud, maar niet `eeuwig' omdat zelfs de minder goed geschoolde bezoeker voelt dat deze steden te veel slechts één periode uit het verleden representeren.

Rome kreeg in de negentiende eeuw meer eigentijdse trekken en week zo geleidelijk af van de beelden die Goethe en anderen in de achttiende eeuw op het netvlies van Europese reizigers hadden gebrand. Vandaar dat vanaf deze tijd de beleving, beschouwing en verbeelding van Rome veelal in antimodernisme uitmondt: alles laten zoals het is. `Nooit meer mocht er iets gebouwd worden', decreteerde de Franse romanticus Chateaubriand.

Al in een vroeg stadium waren de Romeinse machthebbers bewust bezig met te voorkomen dat de stad het predikaat `groezelig' of `aftands' kreeg. Vermakelijk is de passage waarin Rietbergen de gemeentelijke verordeningen aanhaalt die het vuil van de straat moest weren, de varkens en geiten van de pleinen, de naakt zwemmende jongetjes uit de Tiber en de hoeren uit de schemerhoeken van de kerken en basilieken. Overtuigend toont hij aan dat de stedelijke machthebbers, de pausen en (vanaf 1870) ook de Italiaanse staat flink hebben bijgedragen aan het ontstaan en instandhouden van het beeld van de Urbs Aeterna. Geen culturele motieven lagen aan dit beleid ten grondslag, maar economische.

Rietbergen voert aan dat de ligging van Rome eigenlijk niet zo gunstig was: voor een groeiende bevolking leverde de Romeinse campagna te weinig voedsel op. Meer dan 2500 jaar was dit gegeven een basiselement in de geschiedenis en de ontwikkeling van de stad. Zij werd, naarmate de bevolking groeide, een parasiet op haar steeds grotere omgeving. Zolang het Romeinse Rijk bestond, kon Rome groeien. In de tweede eeuw na Christus telde de stad rond de één miljoen inwoners, die grotendeels leefden van publieke voedseluitdelingen. Met het inkrimpen en verdwijnen van het imperium nam ook het inwonertal drastisch af, tot zo'n 40.000 inwoners.

Rond 1500 begon, onder impulsen van de pausen, de stad weer te groeien. De Kerkelijke Staat werd nu, aldus Rietbergen, het `lichaam' dat Rome kon `uitzuigen'. Maar nog altijd was er geen sprake van bloeiende handel en er waren weinig grondstoffen voor grootschalige nijverheid. Door het grootgrondbezit van adel en Kerk was de landbouw geen basis voor welvaart voor grote groepen. Slechts de bouwpolitiek en de pelgrims- en toeristenindustrie leverden structureel veel arbeidsplaatsen op. Een verdergaande groei werd pas na 1870 mogelijk, toen de stad het koninkrijk Italië als economische context kreeg. In al die millennia is er geen gezonde economische basis voor Rome gecreëerd.

Ook in de aanloop naar het Jubeljaar 2000 viel het op hoezeer de stedelijke en nationale autoriteiten bezig waren met het musealiseren van de stad en juist níet met het aanpassen van de stad aan de eisen die de 21ste eeuw aan een metropool stelt. Volgens de autoriteiten is in Rome het verleden de basis van de toekomst. Elke rechtgeaarde geschiedenisleraar doet tijdens zijn lessen weinig anders dan aan dit uitgangspunt gestalte geven. Een betere plek dan Rome om deze boodschap tijdens een schoolexcursie `op locatie' uit te dragen is er niet. De slogan `Rome, we komen' zal dus nog wel een eeuw of wat meegaan.

P.J.A.N. Rietbergen [red.], Thema Tijd. themanummer van Tijdschrift voor Geschiedenis, jaargang 114, 2001, nummer 1; 168 blz.; losse nrs. ƒ35,20, abonnement ƒ132,–; Uitgeverij Van Gorcum, Assen, tel. 0592-379552.