Private justice

HET ADJECTIEF `forensisch' betekent: tot de gerechtsplaats behorend. Het is bezig een nieuwe dimensie te krijgen door het verschijnsel van de `forensische accountant', dat sterk in opkomst is. De accountants van KPMG die het declaratiegedrag onderzochten van Rotterdamse gemeentebestuurders, onder wie oud-burgemeester Peper, behoorden tot dit nieuwe specialisme. Deze hoedanigheid werd echter buiten beschouwing gelaten door de Raad van Tucht voor Registeraccountants, die uitspraak deed over een klacht van Peper. Zij hield de KPMG'ers aan de algemene beroepsplicht. De raad oordeelde dat het KPMG-rapport onder deze maat bleef doordat het de sfeer ademde van een lijst van verdachtmakingen jegens individuele bestuurders.

Deze beslissing wordt met nadruk beperkt tot de casus Rotterdam, maar er zit meer aan vast. Ondanks het dictum van de raad is de forensische accountancy precies wat de naam zegt: quasi-gerechtelijk van inslag. Het is niet alleen een groeisector, maar maakt ook deel uit van een algemene verschuiving van publieke naar private veiligheidszorg. Analisten van Justitie noemen het in het Tijdschrift voor de Politie aannemelijk dat vóór 2010 de personeelssterkte van de private veiligheidssector die van de politie zal hebben ingehaald.

Er wordt aan twee kanten getrokken aan de publieke veiligheidszorg. Anders dan het traditionele beeld in dit land wil, zijn de burgers niet bijster tevreden over hun politie, constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau vorig jaar. In een peiling binnen het zakenleven zat Nederland de afgelopen jaren zelfs achter in het EU-peloton. De private veiligheidszorg in Nederland haalde in een onderzoek uit 1996 daarentegen het op een na het hoogste rapportcijfer van de EU. Deze kloof dreigt groter te worden naarmate de speciale wensen van het publiek toenemen. De vergrijzing schept een nieuwe vraag, evenals fraudebestrijding en ontwikkelingen in het (groot)winkelbedrijf of de duurdere woonwijk. De private veiligheidszorg belooft makkelijker in te spelen op deze behoeften dan de reguliere politie. Dit levert een aantal ongemakkelijke dilemma's op. Veiligheid is niet te koop, is het officiële parool. Maar steeds meer particulieren kunnen het wél betalen. Particuliere veiligheidszorg is alleen mogelijk onder `regie' van de reguliere politie, zo luidt een ander beleidsdogma. Maar de moderne burger is steeds minder bereid zich te laten `aansturen' door de overheid, niet alleen op veiligheidsgebied, maar ook in de gezondheidszorg of het onderwijs.

NU KAN MEN redeneren: wanneer mijn buurman een private beveiliger laat patrouilleren, profiteren we toch samen van het extra toezicht. Maar zo eenvoudig is het niet. Wie betaalt, bepaalt. De afkalving van de publieke veiligheidszorg gaat gepaard met een toename van `private justice', vormen van eigenmachtige afdoening. Met alle risico's voor de rechtswaarborgen van dien. De Haagse beleidsmakers zien het probleem wel, maar zitten in een spagaat. Het kabinet propageert dat de veiligheid mede de verantwoordelijkheid wordt van burgers, organisaties en bedrijven. Maar wanneer die dat serieus nemen en er geld voor over hebben, wordt dat ongepast gevonden. Deze bezwaren worden in het Tijdschrift voor de Politie afgedaan als ,,ideologisch en normatief''. Maar wat is er verkeerd aan een ideologie van burgerrechten? Deze verdient het juist serieus te worden genomen door verder te kijken dan geld en regie en duidelijke normen te stellen voor de inhoud van de private veiligheidszorg.