Nieuwe nachtmerries

Iedereen heeft zijn eigen, regelmatig terugkerende angstdroom. Op de redactie heb ik voor alle zekerheid nog een enquête gehouden. `O ja!', zei onveranderlijk de ondervraagde. Haar/zijn gezicht klaarde op. En dan kwam het verhaal. Er moest examen worden gedaan en de kandidaat wist niets meer. Ging met vader wandelen in de duinen, kon plotseling geen stap meer verzetten en geen klank uitbrengen, en zag hoe vader in de duisternis verdween. Werd op een helling achtervolgd en langzaam ingehaald door enorme, zware kabelhaspels. Zat op het dak van een lift die onverzettelijk het plafond naderde. Kon plotseling ogen niet meer open doen. Zat een boek te lezen en wist dat op de volgende bladzijde een plaatje stond, zo gruwelijk dat hij er niet naar durfde kijken. Er kwam een engel van kleverig spinrag door het raam. Enzovoorts.

In al die dromen valt niet aan een verschrikkelijk gevaar te ontkomen. En er gaat iets aan vooraf. De dromer weet zelf dat de nachtmerrie in aantocht is. Hij is van plan het deze keer niet zover te laten komen, maar in zijn slapend hoofd zit iets dat sterker is dan hij zelf, en onontkoombaar moet hij het bekende verhaal opnieuw afwerken. Sinds de komst van de computervirussen is er een nieuwe droom. Je zit aan je toetsenbord, je bent bijna aan het einde van een lang werkstuk en dan verschijnt op je beeldscherm een zwarte vlek waarin de letters in razend tempo verdwijnen, alsof ze door een maalstroom worden meegezogen.

Het laatste gemeenschappelijke kenmerk van de angstdromen die ik hoorde, is dat de ontwaakten er opgelucht en graag over vertellen. Naarmate je ouder wordt, neemt de frequentie af. Dat is dan een geluk bij een ongeluk, want zo lang ze duren is het werkelijkheidsgehalte van een angstdroom terreur. En het terroristisch effect is hardnekkiger naarmate je jonger bent. Althans, dat herinner ik me uit mijn eigen kinderdromen.

Zo kom ik tot mijn eigenlijke onderwerp. In de Volkskrant van 3 mei staat een reportage van Mac van Dinther over de `MKZ-driehoek', dat wil zeggen het gebied tussen Zwolle, Apeldoorn en Deventer, waar het mond- en klauwzeer heeft geheerst. De kop luidt: Kinderen dromen over geruimd worden. En daarbij een foto, gemaakt door Raymond Rutting: drie gezonde koeien in de stal, op schoon stro. Mooie roodbonte dieren, met grote, goeige koppen, het soort gezicht waar geen kwaad bij zit. Om de hoek van de staldeur kijkt een jongetje van een jaar of vier. Met angst en vrezen – dat is de enige uitdrukking waarmee ik het kan beschrijven. Het is een meesterlijke foto.

En nu moet ik oppassen dat dit stukje zich niet tot een sobstory ontwikkelt. Kinderen die op een boerderij opgroeien zullen misschien anders tegen de levende natuur aankijken dan kinderen in de stad. De dieren komen en de dieren gaan. Maar het is niet uitgesloten dat een boerenkind toch haar lievelingsvarken heeft, of zijn aardigste koe, al was het maar omdat het dier een innemend gezicht heeft. Alle kinderen die ouder zijn dan een jaar of drie, vier kijken naar de televisie en beginnen langzamerhand te vermoeden wat daar ongeveer gaande is. Langzamerhand en ongeveer, zoals wij volwassenen zeggen. Maar op zijn manier – dat is de manier die veel grote mensen vergeten – kijkt een kind nauwkeurig en denkt er op zijn eigen scherpe manier over na.

Het televisienieuws laat nu al zeker een jaar regelmatig, soms dag in dag uit, beelden van het `ruimen' zien. Een ongelukkiger woord zal voor die bezigheid moeilijk te verzinnen zijn. Mijn weerzin tegen de eindeloze herhaling van die beelden heb ik hier al eens opgeschreven. Maar ik heb me, dom genoeg, nooit afgevraagd hoe kinderen, en in het bijzonder boerenkinderen ernaar kijken. Wat ze zien op de televisie, en wat ze in hun directe omgeving bevestigd krijgen, – de klauw van de grijper in een dood dier, `geruimde' varkens opgehangen in een boom – moet materiaal zijn voor de gruwlijkste nachtmerrie.

Kinderen dromen dat ze geruimd worden. Het is jammer dat het dromen niet te commanderen valt; dat je je eigen droom niet bij jezelf kunt bestellen. Anders zoudt u zelf eens kunnen proberen hoe dat voelt.

    • S. Montag