Liberaal beleid heeft de beschaving gered

Anders dan zij die menen dat door de ongebreidelde marktwerking de beschaving in de uiverkoop is gedaan, heeft liberaal beleid ons juist behoed voor een massale ineenstorting van onze economieën en daarmee van onze beschaving, menen Hans H.J. Labohm en Anton van Schijndel.

Wie had gehoopt en gedacht dat de links-rechts-tegenstelling zo langzamerhand in de euforie van paars zou zijn verdampt, kwam onlangs van een koude kermis thuis. In het manifest `De beschaving moet gered worden' (NRC Handelsblad, 1 mei) roept een aantal prominente linkse Nederlanders op tot strijd tegen het neo-liberale barbarendom. Het manifest bevat een opsomming van een overweldigende hoeveelheid maatschappelijke ellende, variërend van het lerarentekort, wachtlijsten in de zorg, crises in de landbouw en moeilijkheden bij privatisering tot de toename van geweld onder jongeren. Al deze ontwikkelingen hebben volgens de auteurs één ding gemeen: zij zijn zo niet veroorzaakt, dan toch op zijn minst verhevigd door de stortvloed van neo-liberale maatregelen van de twee kabinetten-Kok. `Het is niet minder dan de beschaving zèlf die samen met de publieke sector in de uitverkoop wordt gedaan', aldus de auteurs.

Echter, precies het tegenovergestelde is gebeurd. De golf van liberale inzichten en beleid, die zich sinds de jaren tachtig over de wereld heeft verbreid, heeft ons behoed voor een massale ineenstorting van onze economieën en daarmee van onze beschaving. Als gevolg van de liberale golf verkeren de westerse samenlevingen nu in een veel betere conditie om toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden, dan bij voortzetting van het traditionele beleid met een sterkere overheidsinvloed het geval zou zijn geweest.

Bovendien wordt het begrip `beschaving' in het manifest ten onrechte verengd tot maatschappelijke gelijkheid. Een beschaafde inrichting van de samenleving houdt in dat iedereen volwaardig kan deelnemen aan het maatschappelijke leven. Het spreekt daarbij vanzelf dat aan hen die door ziekte of ongeval niet mee kunnen komen bestaanszekerheid moet worden geboden. In dat licht is de liberale koers `van verzorgingsstaat naar waarborgstaat'. Gebleken is immers dat het uitdijen van de verzorgingsstaat in de jaren '60 en '70 uiteindelijk haar economisch fundament ondermijnde.

Vooropgesteld zij dat de gesignaleerde problemen niet gebagatelliseerd mogen worden. Marktwerking moet op een verstandige manier worden toegepast. Zo moet bij privatisering van nutsbedrijven daadwerkelijke concurrentie gewaarborgd zijn. Alleen dan zullen burgers van meer keuzevrijheid en lagere prijzen kunnen profiteren.

Van Mourik en Manenschijn (NRC Handelsblad, 3 en 8 mei) hebben met kracht van argumenten betoogd dat de gesignaleerde problemen op zichzelf niet aan het gewraakte neo-liberale beleid zijn toe te schrijven. Hun argumenten worden hier niet herhaald. Ons punt is dat het manifest volledig voorbij gaat aan één van de grote problemen waarmee moderne welvaartsstaten als Nederland worden geconfronteerd. Dat probleem ligt in het trekken van een duidelijke grens tot waar de in collectieve arrangementen geïnstitutionaliseerde solidariteit zich dient uit te strekken. Trekt men de grenzen te nauw, dan wordt het beleid gekritiseerd wegens gebrek aan compassie. Trekt men de grenzen te ruim, dan wordt daarmee de hoeveelheid middelen overschreden die de samenleving bereid is te betalen voor de georganiseerde solidariteit.

Duidelijk is dat er grenzen zijn aan het kunnen afdwingen van solidariteit. Overspannen sturingsdenken doet daarbij meer kwaad dan goed. Nodig zijn intelligente wetten, die aanknopen bij de natuurlijke neiging van mensen om zelf vooruit te komen. Een goed voorbeeld is het in Amerika bestaande earned income tax credit. Dit fiscale toeslagmechanisme voor de werknemer heeft ervoor gezorgd dat miljoenen arme Amerikanen met geringe arbeidskwalificaties (en dus een lage productiviteit) niettemin een baan hebben kunnen vinden. Hun inschakeling in het arbeidsproces versterkt het maatschappelijk weefsel, bevordert de economische groei, en leidt tevens tot een grotere participatie door etnische minderheden. Waarom zou dat in Nederland niet kunnen?

Het dilemma tussen teveel en te weinig solidariteit kan een tijd lang worden verdoezeld door de staatsschuld te laten oplopen. Een dergelijk beleid werd tientallen jaren lang door links bepleit, mede omdat men geloofde dat een beleid van permanente begrotingstekorten een positieve impuls aan de economische groei en werkgelegenheid zou geven. Dit geloofsartikel bleek helaas niet met de economische werkelijkheid te kloppen. Sinds het begin van de jaren negentig bleek dat een vermindering van begrotingstekorten (plus een aantal maatregelen ter verbetering van de marktwerking) hand in hand konden gaan met een toename van de economische groei en de werkgelegenheid. Maar ondertussen zitten we wel met een staatsschuld opgescheept die – in vredestijd – zonder precedent is in de geschiedenis.

Tegelijkertijd stuit men daarmee op een ander solidariteitsprobleem, namelijk die tussen de achtereenvolgende generaties. Immers, het oplopen van de staatsschuld impliceert het doorschuiven van onbetaalde rekeningen naar toekomstige generaties. Hiermee heeft men tientallen jaren lang mooi weer gespeeld met het geld dat toekomstige generaties nog moeten verdienen. Dit is niet alleen een financieel, maar ook een moreel probleem. Het had nooit mogen gebeuren. Solidariteit tussen generaties werd opgeofferd aan solidariteit binnen één generatie. Spijtbetuigingen of andersoortige Vergangenheitsbewältigung door degenen die daarvoor in ons land verantwoordelijk zijn geweest, zijn tot op heden uitgebleven. Het is dan ook de historische verdienste van het kabinet-Kok dat het er met de Zalmnorm in is geslaagd de trend van een almaar stijgende staatsschuld om te buigen. De door de auteurs van het manifest gesignaleerde problemen vallen in het niet bij de problemen die zouden zijn ontstaan indien het kabinet daar niet in zou zijn geslaagd.

De auteurs stellen voorts: `Het wordt tijd om de mooie verhalen over de zegenrijke werking van de ongereguleerde markt te verwijzen naar de plaats waar ze thuishoren: het rijk der fabelen'. Wie ook maar de minste ervaring heeft met de reële economie weet dat deze stelling onhoudbaar is. Wij zouden ons wèl kunnen vinden in de volgende geamendeerde stelling: `Het wordt tijd om de mooie verhalen over de ongereguleerde markt te verwijzen naar de plaats waar ze thuishoren: het rijk der fabelen'.

Immers, in ons soort `markteconomieën' zijn ongereguleerde markten een zeldzaamheid geworden. De regelgeving dijt nog immer uit als het heelal na de big bang. Alhoewel er tal van legitieme redenen zijn om markten aan zekere banden te leggen, hangt daaraan wèl een prijskaartje, in termen van minder efficiëntie en minder groei. Maar omdat de kwaliteit van het bestaan, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu, ook van grote waarde is, hebben liberalen in het algemeen van harte bijgedragen aan deze regelgeving.

De auteurs stellen ten slotte: `Op het mondiale economische slagveld dat door de terugtredende overheden wordt gecreëerd, kunnen alleen de sterksten overleven (...)' Deze darwinistische visie op de markteconomie is een variant op de bekende marxistische overtuiging dat de markteconomie tot monopoliekapitalisme en Verelendung van grote delen van de bevolking zou leiden. Ook deze visie is door de historische werkelijkheid overtuigend gelogenstraft. Het concurrentieprincipe (voorzover nodig geholpen door een krachtig mededingingstoezicht) staat er in de regel borg voor dat als al sprake is van dominante marktposities, deze van korte duur zijn. Ook duurzame verarming van de bevolking heeft zich niet voorgedaan. In vergelijking met andere economische ordes, zoals de voormalige centrale planeconomieën en de sterk door de overheid gedomineerde economieën in grote delen van de Derde Wereld, hebben alle ontwikkelde markteconomieën een indrukwekkende welvaartswinst voor brede lagen van de bevolking opgeleverd. En de zegenrijke werking van het liberale beleid is nog lang niet uitgeput.

Drs. Hans H.J. Labohm is lid van de kernredactie van Liberaal Reveil. Mr. drs. A.H.J.W. van Schijndel is organisatieadviseur. Beiden zijn lid van de buitenlandcommissie van de VVD.