Herfkens erkent gemaakte fouten ontwikkelingshulp

Minister Herfkens (Ontwikkelingssamenwerking) deelt grotendeels de scherpe kritiek die een van haar ambassadeurs donderdag uitte op het ontwikkelingsbeleid.

Dit heeft de minister gisteren verklaard. Ze is het evenwel oneens met de conclusie van ambassadeur P. Marres dat het beter zou zijn voor de ontwikkelingslanden om de hulp te staken.

Marres, die zich bezighoudt met de UNMEE-vredesoperatie tussen Ethiopië en Eritrea, betoogde in een stuk op persoonlijke titel in de Volkskrant van donderdag dat ontwikkelingslanden veel meer kunnen dan in het Westen vaak wordt aangenomen.

Ook wees hij erop dat het ontwikkelingslanden bijzonder veel tijd en energie kost om aan alle zeer uiteenlopende voorwaarden te voldoen die de verschillende buitenlandse donoren verbinden aan hun hulp.

Herfkens memoreerde gisteren tijdens een persconferentie dat zijzelf al in 1999 in een rede in de Ethiopische hoofdstad Addis Ababa de zaken had aangekaart, die Marres ter sprake bracht. ,,Wat ik Marres verwijt is eerder plagiaat dan iets anders'', aldus de minister.

Ze erkende dat er in het verleden veel fouten zijn gemaakt met ontwikkelingshulp. Anders dan Marres, concludeert ze daaruit echter niet dat het beter is de hulp te staken maar vindt ze dat de hulp op een andere leest moet worden geschoeid. ,,Je kunt je niet aan je verantwoordelijkheid onttrekken als zeer rijk land'', meende Herfkens. Er zouden zonder hulp onaanvaardbaar grote gaten vallen in zaken als onderwijs voor arme kinderen.

Ook is er volgens Herfkens intussen al een begin gemaakt met enkele verbeteringen. Zo hebben de ministers van ontwikkelingssamenwerking van de OESO-staten onlangs afgesproken de hulp beter op elkaar af te stemmen.

Het is echter de vraag of zo'n harmonisatie van de hulp snel van de grond komt. Zelfs binnen de Europese Unie kost dat al grote moeite.

Vooral de Fransen en de Duitsers hechten aan hun eigen autonomie op hulpgebied, zo bleek deze week uit onderzoek van de Nijmeegse ontwikkelingsdeskundige Paul Hoebink.

Herfkens maakte gisteren ook bekend dat een experiment dat in 1994 onder haar voorganger Pronk was gestart met duurzame ontwikkelingsverdragen met Bhutan, Costa Rica en Benin in gewijzigde vorm wordt voortgezet.

Onlangs wees een evaluatie van de verdragen uit dat vooral de beoogde gelijkwaardigheid in de praktijk niet was verwezenlijkt. Het overwicht van de geldschieter Nederland over de andere landen bleef in de praktijk groot.

Het kabinet stemde er mee in om te onderzoeken of Benin kan worden toegevoegd aan de lijst van 21 landen, waarmee Nederland een intensieve hulprelatie heeft. Het relatief rijke Costa Rica komt daarvoor niet in aanmerking en daarmee zal de hulprelatie worden afgebouwd. Minister Pronk, thans milieuminister, zal zich onder meer gaan bemoeien met Bhutan.