Een oude tulband

Komisch is het wel: meer dan een eeuw lang reizen westerse benarde zielen naar Marokko en Turkije omdat je daar probleemloos homo kunt zijn – en net nu hier homoseksualiteit niet langer meer gezien wordt als iets dat buiten de maatschappelijke orde staat, zijn het Turken en Marokkanen in Nederland die het keer op keer tot een ziekelijk en gevaarlijk verschijnsel verklaren. Natuurlijk, het gaat meestal om religieuze leiders. Die spreken vanuit de leer, wat nu eenmaal iets heel anders is dan de praktijk. Als je hen een microfoon onder hun neus houdt, kun je moeilijk verwachten dat ze zullen verklaren dat homoseks wat hen betreft helemaal oké is, je moet met je tijd meegaan, zelf hebben ze in hun jeugd in Marokko ook wel eens, enzovoort. De verontwaardiging over de uitspraken van de bejaarde Rotterdamse imam Khalil el-Moumni lijkt me dan ook meer dan een beetje naïef. Wat me verbaast, is dat hij zo halfhartig van repliek gediend wordt door Nederlandse Marokkanen en Turken zelf.

Omzichtigheid is het trefwoord. Vertegenwoordigers van allochtone belangenorganisaties trekken een gepijnigd gezicht en zeggen dat ze er ook niets aan kunnen doen, de koran verbiedt homoseksualiteit, homo's kunnen niet getolereerd worden in de gemeenschap. Net als in het geval van het afblazen van de opera Aïsja, een productie waar dezelfde Rotterdamse imam zich overigens met succes tegen keerde, blijven de gelederen angstvallig gesloten. Iedereen kijkt naar elkaar. Er vinden geen echt harde discussies plaats, er staan geen islamitische homo's op die de imams uitdagen, er zijn vrijwel geen allochtone intellectuelen die de onmogelijke kloof tussen de letter van de koran en de sociale werkelijkheid ter discussie stellen. Het zal best dat de denkbeelden van de imams over homoseksualiteit in niets verschillen van die van de paus, maar je kunt niet zeggen dat de uitspraken van de paus voor zoete koek worden aangenomen, zelfs niet door de meeste katholieken – dat is het cruciale verschil. Turkse en Marokkaanse stand up comedians maken plagerige grapjes over cultuurverschillen, maar echt hete hangijzers gaan ze uit de weg. De Algerijnse schrijfster Assia Djebar deed de protesten tegen haar werk van de imam met verfrissende hoon af als het gebazel van een oude tulband. Dat hoor ik een Nederlandse Turk of Marokkaan niet zeggen over imam Khalil el-Moumni.

Van Nederlandse kant is de omzichtigheid al even groot, zo niet groter. Allochtonen vormen maatschappelijk een problematische groep, ze moeten daarom vooral aangemoedigd worden. Dus is de vreugde overweldigend wanneer er iets goed gaat, wanneer er weer een Marokkaanse romancier debuteert, wanneer een Turkse voetbalploeg aardig presteert of wanneer een islamitische politica zich doet gelden. De befaamde Marokkaanse buurtvaders van het Overtoomse veld in Amsterdam krijgen zo ongeveer iedere week een aanmoedigingsprijs, terwijl ze doen wat vaders overal geacht worden te doen, hun zonen in toom houden. Het verkeerd allemaal nog in het emancipatorische stadium, dat wil zeggen, iedereen probeert alles positief te interpreteren. Daar komt de angst voor racisme bij; die zorgt voor een al te eerbiedige houding ten opzichte van uitspraken van vertegenwoordigers van nieuwe Nederlanders, alsof die werkelijk voor een gemeenschap spreken. Alles wordt serieus genomen. Vandaar wellicht de geschoktheid door de keiharde uitspraken van de imams; hebben we zo ons best gedaan, en dan krijgen we dit.

Het is een klimaat van angst en trots en goede bedoelingen. Over de integratie van allochtone minderheden in de Nederlandse samenleving wordt wel gezegd dat het slechts een kwestie van tijd is, alsof het sociale emancipatieproces dat zich de afgelopen dertig jaar in Nederland heeft voltrokken, alleen maar nog eens dunnetjes moet worden overgedaan door de minderheden en klaar is kees. Maar emancipatie moet dit keer samengaan met integratie, en daar zit de knoop. Het grootste probleem van de meeste Turkse en Marokkaanse Nederlanders die zich in het openbaar uiten, is dat ze zich werkelijk als vertegenwoordigers beschouwen, en ook zo beschouwd worden. Daarom bewijzen ze lippendienst aan denkbeelden die ze zelf allang als achterlijk beschouwen, daarom vallen ze hun `eigen mensen' niet af. Het is niet prettig om een minderheid binnen een minderheid te zijn, zeker binnen een traditionele cultuur waarin je voortdurend tussen eer en schaamte moet manoeuvreren. Zowel autochtone als allochtone Nederlanders koesteren het beeld van een Turkse of Marokkaanse gemeenschap, die blijft bestaan ondanks het voortschrijdende integratieproces. Die gemeenschap is een luchtspiegeling. Een gemeenschap kan niet werkelijk integreren, ze kan alleen als folklore blijven bestaan. Maar allochtone Nederlanders hebben dat idee van gemeenschap nodig voor hun eigenwaarde, en Nederlanders geloven erin uit onwetenheid of uit eerbied.

Symbool van al die misverstanden, moedwillig of niet, is het omstreden hoofddoekje. Nederlanders zijn geneigd het te interpreteren als een teken van fundamentalistische horigheid, van hetzelfde soort als de opvattingen van de oude tulbanden in de moskeeën. Ze zijn dan ook verbaasd dat de meisjes die hoofddoekjes dragen meestal alle opvattingen en ambities koesteren van een westerse carrièrevrouw. Het hoofddoekje verschaft juist vrijheid, zo blijkt, omdat het loyaliteit aan de gemeenschap veilig stelt. Je laat anderen zien dat je niet ontrouw aan de gemeenschap bent, wat je ook doet, je kunt jezelf wijs maken dat je tot een onveranderlijke cultuur behoort. Als je goed naar de imams luistert, wordt duidelijk dat het hier op een wanhopig achterhoedegevecht gaat, en niet om de aankondiging van de eerste islamitische revolutie in Nederland. Hun argument is dat homoseksualiteit de ondergang van de samenleving dreigt te worden, aangezien homoseksuelen geen kinderen voortbrengen, waardoor het menselijk ras zal uitsterven. Nu lijkt me dreigende kinderloosheid niet het grootste probleem waarmee islamitische gezinnen te maken hebben, en bovendien weten ook de imams wel dat nooit veel meer dan tien procent van de bevolking fulltime homoseksueel wordt. Het is dus eerder een metafoor – voor het hele integratieproces van Turken en Marokkanen in Nederland, dat in de ogen van de streng gelovige imams natuurlijk niets anders is dan een desintegratieproces. De imams dreigen zelf uit te sterven, hun woorden blijken in toenemende mate onvruchtbaar. Er is helemaal geen sprake meer van één gemeenschap, dat is de harde waarheid. Het wordt tijd dat Turkse en Marokkaanse Nederlanders de discussie met zichzelf aangaan.