Een monnik in zwembroek

Na eenentwintig jaar zette Marcel Wouda, Nederlands eerste zwemprof en wereldkampioen, een punt achter zijn loopbaan. Redacteur Mark Hoogstad schreef een boek over Wouda en de opkomst van het Nederlandse zwemmen, dat vandaag verschijnt.

Weet hij veel. Nee, een vlekkeloos huwelijk hebben zijn ouders niet. Maar een op handen zijnde scheiding? ,,Nooit iets van gemerkt. Natuurlijk zag ik dat het niet helemaal lekker liep tussen die twee. Ze hadden zo nu en dan flinke ruzie. Maar dat gebeurt in de beste huwelijken. Of niet soms?'

Zo in de ban van zijn olympische debuut, ruim zes maanden later in Barcelona (1992), is Marcel Wouda dat het leven begint en eindigt bij de poorten van het zwembad. Zwemmen is een verslaving, een roes waaruit de 19-jarige wisselslagspecialist niet wenst te ontwaken.

Het huwelijk van Klaas en Helga Wouda staat al enige tijd op springen. Tal van redenen liggen daaraan ten grondslag. Eén daarvan, zegt Klaas Wouda, is de sportieve passie van hun oudste kind. ,,Mijn ex holde in mijn ogen veel te veel achter de sport aan. We hadden geen privé-leven meer. Zelfs de vakanties stonden in het teken van het zwemmen.'

In december, ruim een half jaar voor `Barcelona', besluiten de Wouda's uit elkaar te gaan. Maar pas als hij zich heeft verzekerd van deelname aan de Spelen, zullen Klaas en Helga Wouda hun kinderen, Marcel en Suzanne, confronteren met de pijnlijke boodschap. Tot die tijd blijft het gezin bijeen.

,,We wilden later niet het verwijt krijgen dat Marcel als gevolg van onze problemen de Spelen had moeten missen', verklaart Klaas Wouda jaren na dato. ,,Zwemmen was zijn lust en zijn leven, wie waren wij dan om zijn olympische droom te verstoren?'

Zijn echtgenote is het daar mee eens. ,,We vonden de risico's te groot', zegt Helga Wouda. ,,Ja, achteraf vraag je je wel af: hebben we er verstandig aan gedaan? Toen hadden we voor ons gevoel geen keus.'

Wat volgt is ,,een vreselijk geforceerde toestand', zoals Klaas Wouda, op dat moment commandant bij de brandweer in Uden, de gewapende vrede in het ouderlijk huis omschrijft. ,,Ik had 's avonds zogenaamd allerlei vergaderingen. In werkelijkheid zat ik een paar straten verderop, bij mijn vriendin. Natuurlijk voelde ik me schuldig, maar wat moest ik?'

Opgelucht is Klaas Wouda wanneer hij in juni, een dag nadat zijn zoon een plaats in de olympische zwemploeg heeft afgedwongen, een einde kan maken aan ,,een wel heel erg lang toneelstukje'. Wat Suzanne Wouda dan al heeft achterhaald, dringt plotseling ook door tot haar twee jaar oudere broer. Het nieuws komt als een donderslag bij heldere hemel. De avond ervoor hebben vrienden en familie nog vrolijk het glas geheven om de plaatsing te vieren.

Als het hoge woord eruit is, trekt Klaas Wouda nog dezelfde dag bij zijn vriendin in. Vader en zoon zien elkaar vanaf dat moment nog slechts een paar keer. Het laatste contact – Klaas Wouda weet het nog goed – dateert van 26 mei 1997, wanneer zijn zoon vanuit Nice belt om hem met zijn vijftigste verjaardag te feliciteren.

De zwemloopbaan van zijn zoon volgt Klaas Wouda ,,met een bloedend hart' via de media. Hij troost zich met de gedachte dat de relatie hersteld kan worden zodra zijn zoon het (top)zwemmen de rug toekeert. ,,Topsport is een a-sociaal vak. Marcels wereld speelt zich af in en rond het zwembad. Wat daarbuiten gebeurt, bestaat domweg niet. Hij heeft grote oogkleppen op. Dat moet ook wel, want anders kan hij zich niet handhaven in het topsportwereldje. Wat dat betreft neem ik hem niets kwalijk.'

Andersom is dat wel het geval. ,,Mijn vader loopt weg voor zijn verantwoordelijkheden', zegt Wouda. ,,Als ouder heb je de plicht je kinderen onvoorwaardelijk te steunen zolang ze bezig zijn met hun studie. Dat weigerde hij. Bovendien deed hij aan ruilhandel: hij wilde Suzanne wel financieel ondersteunen, maar als tegenprestatie moest ik dan wat vaker over de vloer komen.'

De scheiding is een klap in het gezicht van de ambitieuze zwemmer, die het verdriet slechts met moeite weet te onderdrukken. Sport vergt offers, zo weet hij, en topsport al helemaal. Maar ten koste van wat en waarom? Over die vragen breekt Wouda zich het hoofd in de daaropvolgende jaren in Amerika, waar hij na het debacle in `Barcelona' – zelfs de B-finale is niet voor hem weggelegd – aan de universiteit van Michigan sport met studie gaat combineren.

Handtastelijkheden

Drie jaar verblijft Wouda in de Verenigde Staten, het `walhalla van het zwemmen'. Na een voorbeeldig eerste jaar, met een stortvloed aan Nederlandse records en aansprekende studieresulaten, betaalt de informaticastudent langzaam maar zeker de tol voor de fysieke en mentale uitputtingsslag, die hij dagelijks in Ann Arbor levert onder leiding van drill-instructor Jon Urbanchek.

Wouda maakt kennis met wat in de Amerikaanse topsportcultuur bekend staat als The Wall: de bijna onvermijdelijke, mentale terugslag na een jaar van louter voorspoed en vooruitgang. Plotseling verloopt alles niet meer zo gladjes als voorheen en voelen armen, hoofd en benen zwaar aan.

Wat hij nooit voor mogelijk heeft gehouden, gebeurt: zijn aandacht voor de topsport verflauwt. Hij krijgt genoeg van de krachtenverslindende exercities in het universiteitsbad, waar Urbancheks pupillen wekelijks zo'n zeventig à tachtig kilometer afleggen. Het is een sluimerend, maar onomkeerbaar proces: zwemmen wordt een gruwel, een bezigheid die vooral pijnlijke herinneringen oproept. ,,Ik voelde me gekwetst door het zwemmen', verzucht Wouda jaren later. ,,Zogenaamd in het belang van de sport had ik in de loop der jaren beslissingen genomen en zaken genegeerd. Nu kwam ik ineens tot het besef dat al die inspanningen de moeite niet meer waard waren.'

Nu lichaam en geest in opstand komen, vervalt Wouda in gepeins. Ruim een jaar lang heeft hij, van nature een binnenvetter die liever zwijgt dan praat, zijn diepere gevoelens verdrongen, nu komen ze alsnog aan de oppervlakte: de scheiding van zijn ouders, de breuk met zijn vader en de handtastelijkheden van een medisch specialist, die hem in de aanloop naar `Barcelona' tot twee keer toe in zijn kruis grijpt.

Vooral het laatste voorval houdt hem bezig, en versterkt het isolement waarin hij zich op dat moment bevindt. Woedend is hij, niet zozeer op de dader, als wel op zichzelf. Hij had het immers laten gebeuren, net zo goed als dat hij de noodsignalen in het ouderlijk huis had genegeerd. Schuldbewust: ,,Ik had mezelf in mijn eigen wereld opgesloten. Met als gevolg dat ik volkomen buiten de realiteit leefde.'

Twijfels nemen bezit van Wouda. ,,Heel lang heb ik me afgevraagd of die specialist werkelijk buiten z'n boekje was gegaan of dat ik het me maar verbeeldde. Uiteindelijk ben ik op mijn gevoel afgegaan. Zijn handelwijze deugde niet. Ik was niet begonnen, hij was begonnen. Bovendien: ik was toch zeker niet gek? Het was gebeurd, dat wist ik honderd procent zeker. Sterker nog: ik herinner het me als de dag van gisteren.'

Terug in Nederland, na de voor hem desastreus verlopen wereldkampioenschappen in Rome (1994), besluit hij de kwestie aan te kaarten bij psychologe Loes de Ridder van sportkoepel NOC*NSF. Met horten en stoten vertelt Wouda hoe hij bijna drie jaar eerder twee keer onzedelijk is betast bij een onderzoek in het ziekenhuis. Pas bij het derde consult komt Wouda in opstand: hij weigert zijn kleren uit te doen. Na die sessie besluit hij de banden met de betreffende arts te verbreken.

Een paar maanden nadat De Ridder van het incident op de hoogte is gebracht, neemt NOC*NSF contact op met Cees-Rein van den Hoogenband. Als voorzitter van de Stichting Topzwemmen Zuid-Nederland, de belangenbehartiger van de zwemclub (PSV uit Eindhoven) waar Wouda dan onderdak heeft gevonden, dient hij volgens de sportkoepel weet te hebben van hetgeen een van `zijn' zwemmers is overkomen.

Van den Hoogenband is onaangenaam verrast, temeer omdat de vermeende dader een collega van hem is. De chirurg uit Geldrop twijfelt niet aan Wouda's lezing. Maar, en hij kan het niet vaak genoeg zeggen, harde feiten en bewijzen ontbreken. ,,Het was zijn verhaal tegen dat van de tegenpartij, en dat maakt je als topsporter kwetsbaar. Bij dergelijke affaires is het lastig om aan te geven waar de strafbaarheid begint. En ook al was daar bij Marcel geen enkele aanleiding toe, een buitenstaander blijft toch achter met de gedachte dat het slachtoffer misschien zelf aanleiding heeft gegeven.'

Van den Hoogenband adviseert Wouda de affaire binnenskamers te houden. ,,Niet dat ik iets in de doofpot wilde stoppen, helemaal niet. Maar je moet de repercussies van openheid in overweging nemen. Ik ben bereid om de dader van een vergrijp te laten boeten. Maar, en daar ben ik heel nuchter in: a) Marcel kon het niet bewijzen en b) het gevaar bestond dat hij in de pers zou worden geslachtofferd.'

Wouda laat zich overtuigen door Van den Hoogenband, wiens standpunt niet veel later aan kracht wint door de escalatie van wat `de affaire-Peter Ooms' gaat heten. Kort nadat de judoka's Anita Staps, Irene de Kok en Monique van der Lee in februari '96 een aanklacht tegen hun (voormalige) coach indienen wegens `ongewenste aanrakingen', wordt niet alleen de judoleraar uit Tilburg publiekelijk aan de schandpaal genageld. Ook het privé-leven van de drie (oud-)wereldkampioenen wordt overhoop gehaald. Met name De Kok en Van der Lee worstelen met de psychische naweeën van hun ontboezeming.

Wouda zegt lering te hebben getrokken uit het voorval. ,,Achteraf zeg ik: het was niet zozeer seksueel misbruik als wel een vorm van machtsmisbruik. Sporters leggen hun lot in handen van een hulpverlener. Als die niet met die situatie om kunnen gaan, is het einde zoek. In mijn geval betrof het een seksuele handeling, maar het had evengoed een buitensporige opdracht van een trainer kunnen zijn.'

Rancuneus is Wouda, bijna tien jaar later, niet. ,,Waarom zou ik die arts met terugwerkende kracht alsnog willen aanpakken? Het gaat mij niet om de dader, het gaat mij om het vergrijp. Van belang is dat mensen beseffen dat dit soort akkefietjes in de topsport kunnen gebeuren. Ik ben vermoedelijk een van de velen.'

Dreigende breuk

Reeds op jonge leeftijd bekruipt hem het dwangmatige gevoel dat heel lang, te lang volgens critici, zijn zwemcarrière zal beheersen: een dag niet getraind is een dag niet geleefd. Veel, om niet te zeggen alles, ontzegt hij zichzelf voor dat bijna heilige doel. Wouda is, of hij wil of niet, een monnik in zwembroek.

Maar in Eindhoven, onder leiding van een trainer (Jacco Verhaeren) die zijn broer had kunnen zijn, wordt alles anders, zo blijkt wanneer Wouda in de zomer van '95 terugkeert in Nederland. In tegenstelling tot Michigan-coach Urbanchek hamert de pas 26-jarige Verhaeren op kwaliteit in plaats van kwantiteit: van het oneindig veel kilometers maken, zoals in Amerika gebruikelijk is, moet hij niets hebben. Variatie is het sleutelwoord in de werkwijze van de eigenzinnige coach, intuïtie het kompas waarop hij vaart.

Hoewel Wouda vooral dankzij Verhaeren zijn beloften inlost, getuige het dubbele wereldrecord kortebaan ('97), twee Europese titels ('97) en één wereldtitel ('98), sluimert op de achtergrond de onvrede. Niet in de laatste plaats door de stormachtige ontwikkeling van Nederlands grootste zwemtalent van dat moment, PSV-collega Pieter van den Hoogenband. Die oogst met twee vierde plaatsen bij zijn olympisch debuut in Atlanta ('96) alom lof, daar waar Wouda met een vierde en een vijfde plaats voor de zoveelste keer wordt afgeschilderd als een mentaal wrak. Dat steekt.

Het is volgens bondscoach René Dekker niet zozeer Wouda's gekrenkte trots die hem in de weg zit. ,,Marcel was moe om tegen de gevestigde orde op te boksen. Jarenlang was hij het boegbeeld van het Nederlandse zwemmen geweest, en van de ene op de andere dag werd hij voorbij gestreefd. Door een jongen voor wie de successen bij wijze van spreken kwamen aanwaaien. En dat terwijl Marcel juist zoveel offers had moeten brengen in zijn lange weg naar de top.'

Van den Hoogenband en Wouda zijn in vele opzichten elkaars tegenpolen. Waar het natuurtalent (Van den Hoogenband) onbezonnen en quasi-nonchalant door het leven stapt, daar wil de noeste werker (Wouda), een vakidioot bij uitstek, het hoofd nog weleens verliezen in randzaken. In tegenstelling tot Wouda kan Van den Hoogenband bovendien terugvallen op een stabiel gezin, op een vader (clubarts bij voetbalclub PSV en de Nederlandse waterpoloselecties) en een moeder (oud-topzwemster Astrid Verver) die beiden de wetten van de topsport doorgronden. ,,Pieter heeft zijn ouders mee en niet te vergeten z'n uitstraling', weet Dekker. ,,Pieter is een spontane, ontspannen jongen met een vlotte babbel, die het goed doet in de media. Bij Pieter heeft elke medaille maar één zijde, en dat is de winnende. Marcel heeft de winnende kant voor zich, maar ziet ook altijd de verliezende kant.'

Wouda's afgunst en achterdocht worden gevoed door de wijze waarop Cees-Rein van den Hoogenband zich binnen de Stichting Topzwemmen Zuid-Nederland manifesteert. PSV is Van den Hoogenband. Niet vergeten is Wouda bovendien hoe Van den Hoogenband zijn moeder na de Spelen in Atlanta ('96) uit het stichtingsbestuur zette. ,,Terwijl zwemmen een deel van haar sociale leven is. Dat stemde haar bitter en dat begreep ik wel.'

Op de achtergrond bespeurt Wouda een groter complot. ,,Als arts en voorzitter was Cees-Rein van alles op de hoogte wat mij de laatste jaren overkomen was. Bewijzen kon ik het niet en misschien zat ik er wel naast, maar om de een of andere reden kreeg ik het gevoel dat mijn geheimen bij hem niet veilig waren.'

Testosteron

Met Cees-Rein van den Hoogenband heeft Wouda een haat-liefdeverhouding. Meer dan eens is de stichtingsvoorzitter voor hem in de bres gesprongen, maar wie garandeert Wouda dat zijn geheimen in goede handen zijn? Het kan bijna niet anders of Van den Hoogenbands zoon moet weet hebben van de handtastelijkheden en van de breuk met zijn vader. Kortom, Van den Hoogenband junior kent de kwetsbare plekken van zijn ploeggenoot.

En bovendien: als `vader van' heeft Van den Hoogenband senior meer oog voor zijn zoon, die volgens Wouda langzaam maar zeker uitgroeit tot het speerpunt van het PSV-beleid. ,,Cees-Rein heeft veel voor mij gedaan. Maar na Atlanta ging hij zich in mijn ogen steeds meer bemoeien met het technische beleid, dat meer en meer afgestemd werd op Pieter. Ik heb Cees-Rein daar op aangesproken en hij ontkende dat in alle toonaarden.'

Ook Verhaeren doet Wouda's gemok af als het geweeklaag van een sporter die ineens iemand naast zich moet dulden. ,,Hij kreeg volop aandacht na die twee wereldrecords, die twee Europese titels en later zijn wereldtitel. Hij is nooit uit het voetlicht geweest. Alleen: er stond plotseling iemand naast hem. Nou en?'

Verhaeren is niet te beroerd Wouda op de vingers te tikken. ,,Marcel denkt over alles na, dat is het probleem. Als meneer Toeretski (trainer van olympisch kampioen Popov, red.) hem morgen iets in het oor fluistert, komt hij meteen naar mij toe met de opmerking: `Ik heb gehoord dat zij dat en dat doen.' Mijn antwoord is dan altijd hetzelfde: `Ik vind het niets.' Als Marcel niet gecorrigeerd wordt, wordt-ie onhandelbaar.'

Alle onderhuidse spanningen komen tot uitbarsting in het voorjaar van '99, ruim een jaar voor de Olympische Spelen in Sydney, wanneer Wouda overweegt de banden met PSV voorgoed te verbreken en in te gaan op een uitnodiging van The University of Calgary Swim Club. ,,Ik had het idee dat bij PSV alle beslissingen achter mijn rug om werden genomen, dat alles om Pieter draaide. Ik had het gehad en wilde weg.'

Maar zo eenvoudig gaat dat niet. Stichtingsvoorzitter Van den Hoogenband heeft in de wandelgangen reeds vernomen ,,hoe laat het is' en schaart zich onvoorwaardelijk achter Verhaeren, die vreest dat zijn pupil in Canada zijn eigen ondergang tegemoet gaat. ,,Jacco had het over vluchtgedrag, dat Marcel niet lekker in z'n vel stak. Hij zei: `Als-ie gaat, dan is de deur dicht.' Ik was het volledig met hem eens.'

Van den Hoogenband draait Wouda de duimschroeven aan en refereert in een gesprek onder meer aan de verwijdering van Inge de Bruijn, in de aanloop naar `Atlanta'. ,,Om hem duidelijk te maken dat Jacco en ik niet voor hem op onze knieën gingen. Onder geen beding. Ik wilde voor eens en voor altijd af van dat verongelijkte gedoe, en heb hem daarom luid en duidelijk gezegd: `Vriend, als puntje bij paaltje komt, heb ik jou niet nodig, maar jij ons'.'

De tirade heeft een verhelderende uitwerking op Wouda. ,,Cees-Rein voelde zich aangevallen, en ergens kon ik dat wel begrijpen. Achteraf zeg ik: het is goed dat we flink met de koppen tegen elkaar botsten, want vanaf dat moment was de lucht geklaard. Over en weer was er sprake van wantrouwen en ongenoegen. Dat was te lang blijven hangen, en dat was deels mijn schuld.'

`De macht van water. Marcel Wouda en de opkomst van het Nederlandse zwemmen' verschijnt in het boekenfonds van NRC Handelsblad en Uitgeverij Prometheus, 272 blz. ƒ36,50.