De stilte van Tirupur

De temperatuur is ondraaglijk, er zijn geen ramen en er branden maar een paar tl-buizen. Aan lange tafels werken zestig kinderen van acht tot vijftien jaar. Zwijgend. Een werkdag van dertien uur levert ze 2,50 gulden loon op. Een van de talloze naaiateliers in Tirupur in Zuid-India, het `T-shirtcentrum van de wereld'. Westerse organisaties voeren acties tegen de misstanden. Of dat helpt? ,,Kinderarbeid is nu alleen meer verborgen.''

Een man in bewakersuniform komt uit het hokje bij de toegangspoort en slaat met een staaf op een ijzeren plaat. Het is half een, de eerste groep mag gaan eten. In een lange rij komen de arbeiders te voorschijn, meest mannen, van uiteenlopende leeftijd. Ze worden gefouilleerd, vluchtig en onzorgvuldig, maar waarom dat moet, kan de vakbondsman die ons begeleidt ook niet uitleggen. Dit is een garenspinnerij, wat zouden ze moeten stelen, honderd meter draad?

Ach, het is een oude gewoonte, zegt de man van de bond, verder is de Lakshmi-Mill met 750 werknemers een modelbedrijf. Dankzij de bond verdienen ze hier wel een tientje per dag en is de werkweek teruggebracht van zestig naar veertig uur. Het is inderdaad een modern, volkomen gemechaniseerd bedrijf. De arbeiders die nog niet mogen gaan lunchen, kijken verschrikt op als we binnen komen en doen vervolgens alsof ze ons niet zien. Van ruw katoen tot garen, het is een bewerkelijk en vooral luidruchtig proces.

Of ze oordopjes krijgen, wil Annie van Wezel van de FNV weten.

Jaganathan, die Assistant to the General Secretary is van de textielbond INTUC, glimlacht minzaam: ze kunnen toch een plukje katoen in de oren stoppen?

Op het kantoor van INTUC probeert Annie van Wezel de reden van haar komst naar Tamil Nadu te verduidelijken. Aan een lange tafel met gebloemde plastic kleedjes zitten de vertegenwoordigers van wel vijf verschillende bonden te luisteren, met een aandacht die eerder ceremonieel dan begripvol overkomt.

De FNV werkt al enkele jaren succesvol samen met vakbonden en non-gouvernementele organisaties (NGO's) in Noord-India, onder andere met het doel kinderarbeid te bestrijden. Met zuidelijk India zijn er nog geen contacten, vandaar deze eerste kennismaking. Wat zijn hier de knelpunten, welke activiteiten worden er ondernomen, hoe zou de FNV daarbij kunnen helpen?

Er worden koekjes uitgedeeld en kleine bekertjes cola. Met zichtbaar genoegen vertelt een oudere heer dat hij al 42 jaar als vakbondsman werkt in deze stad, Coimbatore. Hier is al 90 procent van de arbeiders georganiseerd, zij het in vele verschillende bonden, die allemaal gelieerd zijn aan evenzovele politieke partijen maar de samenwerking is prima, zegt hij, op een toon die niet helemaal overtuigt.

Maar veel bedrijven hebben Coimbatore in de afgelopen tien, vijftien jaar verlaten om zich vijftig kilometer verder te vestigen, in Tirupur. Hoe actief zijn de bonden in Tirupur?

Er wordt even druk door elkaar gepraat in het Tamil, maar dan neemt Jaganathan het woord: het is heel moeilijk om de arbeiders in Tirupur te organiseren. Het zijn kleine bedrijven met twintig, dertig dagloners, die nooit lang bij dezelfde baas blijven. Voor de bond is het een moeizame, en vooral kostbare aangelegenheid om daar iets gedaan te krijgen. Bovendien neemt het aantal leden overal af, de bonden worden zwakker en zwakker...

Maar NGO's, vraagt de vertegenwoordigster van de FNV, hoe komt het dat die wel iets bereiken?

Er is kennelijk een gevoelige snaar geraakt, want de sfeer aan tafel wordt meteen heftiger: ,,Die NGO's doen maar wat. Eerst is het kinderarbeid, dan weer vrouwenrechten, of migranten, of aids. Ze zijn lukraak bezig, afhankelijk van wat de mode is van dat jaar en wat de donor in het Westen toevallig belangrijk vindt. Wij van de vakbond werken met de arbeiders zelf. Dat vergt tijd en geduld, maar op den duur bereik je daar meer mee, dan met die kleine acties van de NGO's.''

We gaan kijken naar zo'n `kleine actie' in Tirupur, het T-shirtcentrum van de wereld, verborgen in het landschap van Tamil Nadu, met tempels vol vervaarlijke godsbeeldjes en wuivende kokospalmen in de rode aarde. Na een uur rijden verandert de rustieke omgeving in een chaos waarin bouwvallige winkels en fabrieksloodsen elkaar snel afwisselen en vrachtwagens, scooterriksha's en ossekarren vechten om voorrang.

Daar staat een school van een NGO die zich `SAVE' noemt en die zich toelegt op de rechten van vrouwen en kinderen. Bij het woord school moeten we in dit geval denken aan een snikhete tent van bamboe en riet, met een aarden vloer van zo'n vier bij zes meter, waarop 23 kinderen in kleermakerszit werken uit beduimelde schoolboekjes.

Ze zijn tussen de 9 en de 12 jaar en ze hebben allemaal korte of lange tijd gewerkt in een naaiatelier of textielfabriek. De een verdiende 75 cent per dag, de ander tachtig, eentje had na twee jaar werken al een loon van 1,10 gulden.

Juf Jaswanti, die nu voor de klas staat, heeft hen `bevrijd'. Jaswanti ging net zo lang bij de ouders zeuren, tot die inzagen dat het voor de toekomst beter was de kinderen naar school te sturen, dan ze de ganse dag te laten werken voor een hongerloon.

Directeur Aloysius van SAVE vertelt dat zijn organisatie zes jaar geleden nog de enige was die strijd leverde tegen kinderarbeid: ,,Werkgevers, maar ook de vakbonden vonden kinderarbeid toen nog heel gewoon. Volgens de bonden moesten betere arbeidsomstandigheden en hogere lonen worden afgedwongen, het absurde van kinderarbeid zagen ze niet in.''

SAVE gebruikte tamelijk onorthodoxe methodes om zijn doel te bereiken: kinderen werden bevrijd, journalisten en televisieploegen werden erbij gehaald, werkgevers werden te kijk gezet. Kinderarbeid was ineens niet zo gewoon meer.

Maar de grote publiciteit had een bij-effect. SAVE-directeur Aloysius: ,,Ineens verschenen vele andere NGO's op het toneel. Christelijke organisaties die de kinderen behalve een school, ook een keurig uniform aanboden. Kijk eens, zei men, die NGO's zijn bezig zieltjes te winnen. En er waren ook clubjes die niet waar maakten wat ze beloofden, waardoor het imago van NGO's flink werd geschaad. Er waren zelfs organisaties bij die werden gesubsidieerd door de winkelketens die hier de T-shirts inkopen.''

Dat zou zo erg niet zijn, als de kinderarbeid in Tirupur erdoor afnam. Maar dat is, vertelt Aloysius, helaas een illusie: kinderarbeid is nu alleen beter verborgen. En hij kan het bewijzen.

De zon gaat al bijna onder als we het terrein oprijden van een bedrijf waar ongebleekt katoen wordt geverfd. Het is groot en open, in grote metalen bakken dansen eindeloos lange lappen in alle kleuren, van kobaltblauw tot kersrood. De schemering geeft het geheel een surrealistische aanblik – maar dan valt het oog op de gestalten bij de bakken die uit blauwe vaten de chemicaliën toevoegen. Ze zijn wonderlijk donker van kleur, klein van bouw, soms pezig en atletisch, maar meestal mager. Ze dragen loengi's, de zuidelijke dracht die tijdens het werk wordt opgetrokken als een rok, en ze kijken met gloeiende ogen, alsof ze heel erg zijn verdwaald.

Dat zijn ze ook, in zekere zin. Ze komen uit dorpen hier driehonderd tot vierhonderd kilometer vandaan en ze gaan maar een of twee keer per jaar terug naar huis. De rest van hun leven speelt zich af op dit terrein: ze slapen met z'n tienen in een kleine kamer, ze koken gezamenlijk, maken elkaar wakker voor de volgende ploegendienst en op zondag zijn ze vrij, maar hebben ze geen idee wat ze met hun tijd aanmoeten. Ze verdienen ongeveer twee kwartjes per uur en hun grootste probleem is constipatie: vanwege het slechte eten dat ze voor zichzelf koken.

Het is triest en treurig, maar gemiddeld zijn de jongens toch zo'n zestien, zeventien, wat formeel tot de minderjarigheid behoort, maar voor India nauwelijks kan gelden als een kinderlijke leeftijd. Zulke jongens trouwen en beginnen gezinnen, ook al zegt de wet dat ze pas volwassen zijn als ze de 21 zijn gepaseerd.

Volgens Aloysius zijn er ook veel jongere kinderen aan het werk. Het is riskant, zegt hij, om de ondernemers almaar voor het hoofd te stoten. Hun buitenlandse klanten zijn zo weer weg, richting China, de grootste concurrent van India op dit gebied. Een indiaas T-shirt van exportkwaliteit heeft een kostprijs van ongeveer een gulden. De Chinezen kunnen het voor 90 cent.

Het is een houdgreep waar nauwelijks uit te komen valt. Natuurlijk wil iedereen dat alle kinderen naar school gaan, maar de consument wil ook goedkope T-shirts. En daar, leggen de medewerkers van SAVE uit, bij die consument ligt misschien de oplossing. Als die bereid is meer te betalen voor een shirtje omdat er geen kinderarbeid aan te pas is gekomen, heeft niemand meer een excuus.

In de tapijtindustrie bijvoorbeeld is een keurmerk bedacht, maar zoiets vergt zorgvuldigheid, organisatie en vooral samenwerking. Want wie zal zo'n keurmerk afgeven, wie zal controleren of het product dat keurmerk waard is?

Er zijn te veel NGO's en te veel vakbonden en het onderlinge vertrouwen is, zacht gezegd, klein. Als een NGO een onderzoek heeft gedaan, bijvoorbeeld naar de lange reeks van gulzige tussenhandelaren, komt de vakbond niet naar de presentatie van de resultaten. Waarom zouden ze: ze zijn al veertig jaar actief op het terrein, er is niets wat hen niet bekend is en bovendien zal het eindrapport altijd in het Engels zijn gesteld, en niet in het Tamil.

De vakbonden, zeggen de NGO's, zijn arrogant en niet meer van deze tijd. De vakbondsleider is gewend aan tientallen assistenten en een auto met chauffeur, terwijl de NGO-medewerker zelf zijn brief typt en die op de scooter naar het postkantoor brengt. De vakbonden zijn meer met zichzelf bezig dan met hun leden: ze kunnen een maand lang bezig zijn met interne verkiezingen.

Waarop de bonden antwoorden dat zij tenminste verkiezingen houden en dat hun leden zeggenschap hebben.

De `knelpunten' die Annie van Wezel van de FNV wilde achterhalen in deze kennismakingstocht door zuidelijk India zijn, kortom, ruim voor handen. Maar hoe de NGO's duidelijk te maken dat je met hart en ziel vóór de mensen kunt werken, maar dat het misschien verstandiger is om mèt de mensen te werken? En hoe de vakbonden te vertellen dat er niets kwaads schuilt in het aangaan van samenwerking met buitenlandse donoren en dat vrouwen- en kinderrechten minstens zo belangrijk zijn als collectieve arbeidsovereenkomsten? En hoe te voorkomen dat de trots en de waardigheid waar de partijen zo aan hechten, juist ten koste gaat van de zwaksten van Tirupur?

Juf Jaswanti van de school in de slum wil de gevolgen van de verdeeldheid onder de hulpverleners wel laten zien. We zullen naaiateliers bezoeken, die verborgen zijn achter hoge muren met lage deuren. ,,Dit zijn inkopers'', zegt ze op nonchalante toon tegen iemand die de wacht houdt. De voorman wordt erbij gehaald. Hij vraagt argwanend waarom de inkopers niet naar het kantoor van de baas gaan. Maar goed, ze zijn er nu eenmaal, ze mogen een kijkje nemen.

Eerst is er iets als een veranda, waar mannen met grote scharen de eenvoudige T-shirtpatronen knippen. Dan komt er nog een deur. Daarachter bevindt zich een ruimte zo groot als een klaslokaal. De temperatuur is ondraaglijk, er zijn geen ramen en er branden maar een paar tl-buizen. Aan en onder lange tafels zitten of staan zo'n zestig kinderen. Ze werken. Zwijgend. De leeftijd varieert van acht tot vijftien jaar.

De voorman loopt op en neer door de ruimte, maar de kinderen weten zelf maar al te goed wat ze moeten doen. De ouderen zitten achter naaimachines, de jongsten knippen de losse draadjes af, vouwen de shirtjes om stukken karton, doen ze in plastic zakken en dan in grote dozen.

We komen in het ene naaiatelier na het andere, heuse negentiende eeuwse sweat shops, maar wat bij blijft is de stilte. Tijdens het werk mag niet worden gepraat. Niet gefluisterd en niet gelachen. De werkdag begint om 8 uur `s morgens. Om één uur is er een lunchpauze. Om twee uur begint het werk weer, en de werkdag eindigt om negen uur `s avonds, voor een loon van 2,50 gulden. Tegen de tijd dat de kinderen thuis komen is het tien uur. Slapen, werken, slapen. Wanneer ze leren lezen en schrijven is niet de vraag; wanneer ze leren spreken, dat is al niet te beantwoorden.

Aan een meisje vraagt juf Jaswanti of zij weet waar het T-shirt dat ze aan het vouwen is naar toe gaat. Het kind haalt zonder haar aan te kijken de schouders op. Dan gaat ze door met vouwen, met het opschrift van het T-shirt netjes aan de voorkant. Er staat: I Love the Maladivs.