BIJSCHILDKLIER CENTRAAL IN NIEUWE AANPAK BOTONTKALKING

Een nieuwe behandeling van botontkalking of osteoporose werpt betere resultaten af dan de gangbare. Een internationale onderzoeksgroep heeft vastgesteld dat het toedienen van bijschildklierhormoon bij oudere vrouwen de aanmaak van nieuw botweefsel stimuleert. Bovendien wordt meer calcium in het skelet opgeslagen. Hierdoor krijgen deze vrouwen steviger botten dan ze met de conventionele behandeling zouden hebben gehad (New England Journal of Medicine, 10 mei).

Op latere leeftijd krijgen met name vrouwen last van botontkalking of osteoporose. De botten worden broos en breken zo gemakkelijk dat een simpele val al tot een heupfractuur kan leiden. Hoewel ook mannen er last van kunnen hebben, is osteoporose vooral een vrouwenkwaal. Dat komt doordat na de menopauze de productie van het geslachtshormoon oestrogeen stilvalt. Dat leidt onder meer tot een verhoogde vorming van osteoclasten, cellen die botweefsel afbreken. Osteoclasten komen in elk gezond bot voor. Samen met hun tegenhangers, de osteoblasten die voortdurend nieuw bot aanmaken, houden zij de kwaliteit van het gebeente op peil. Normaal gesproken zorgen hormonen ervoor dat botopbouw en -afbraak in evenwicht zijn. Tot die hormonen behoort ook het bijschildklierhormoon (parathyroïd hormoon, PTH), dat de hoeveelheid calcium in het bloed verhoogt en de botvorming bevordert.

Aan het onderzoek namen 1637 vrouwen uit 17 verschillende landen deel. Allen hadden als gevolg van osteoporose al eens een wervel gebroken. De deelneemsters werden willekeurig ingedeeld in drie groepen: één groep kreeg een nepmiddel (placebo); de twee andere kregen dagelijks een onderhuidse PTH-injectie van 20 of 40 microgram. De vrouwen werden gemiddeld 21 maanden gevolgd. Aan begin en eind van de onderzoeksperiode werden röntgenfoto's van de wervelkolom genomen. Tussentijds werd regelmatig de botmassa gemeten, als maat voor de hoeveelheid calcium, aan het uitsteeksel van één van de lendenwervels.

De dagelijkse hormooninjecties verminderden de kans op nieuwe breuken in de wervelkolom met ongeveer tweederde. Bij de middelen die momenteel veel worden voorgeschreven, neemt deze kans met bijna de helft af. Het aantal botbreuken op andere plaatsen was bij de met PTH behandelde vrouwen 35 tot 40 procent lager. Het effect van de genomen dosis bleek vooral bij de bepaling van de botmassa. Deze was door de hormoonbehandeling met negen, respectievelijk dertien procent verhoogd. Het gunstige effect van de hogere dosering werd echter enigszins teniet gedaan doordat er dan vaker bijverschijnselen als misselijkheid en hoofdpijn optraden.

Net als de traditionele behandeling, geneest het bijschildklierhormoon de osteoporose niet. De verhoogde botafbraak wordt alleen gecompenseerd door een verhoogde aanmaak van nieuw bot. De volgende stap in het onderzoek is dan ook om na te gaan of een combinatie van PTH met een middel dat de snellere afbraak remt, nog effectiever is.