Zo zag de vergelding eruit

Bij de verschijning in 1956 zat niemand te wachten op `Vergelding', Gert Ledigs roman over het bombardement op een Duitse stad aan het einde van de Tweede Wereldoorlog: de kritiek maakte het met de grond gelijk. Inmiddels is het indringende epos herontdekt en vertaald.

Het is genoegzaam bekend dat traumatische gebeurtenissen tot geheugenverlies kunnen leiden. De verbanning van een gruwelijke ervaring uit het bewustzijn is een van de manieren om te overleven. Die zelfverdediging is waargenomen bij slachtoffers van geweld, maar kan ook worden vastgesteld op de schaal van samenlevingen. Collectieve verdringing is een kenmerkende reactie na een catastrofe, zeker een van menselijke makelij, zoals de oorlog die dezer dagen wordt herdacht.

Zij die overleefden vonden weinig gehoor en moesten ook zelf grote weerstand overwinnen. Velen waren in de meest letterlijke zin met stomheid geslagen. Hoe lang heeft het niet geduurd eer de verhalen over de concentratiekampen doordrongen tot het openbare bewustzijn? Het inmiddels klassieke boek van Primo Levi, Is dit een mens, werd al in 1947 gepubliceerd, maar het duurde tot midden jaren zestig eer een breder publiek er kennis van wilde nemen. Achteraf lijkt het alsof de joodse slachtoffers voortdurend in het middelpunt van de belangstelling hebben gestaan. Niets is minder waar.

Vaak was het onzekerheid die de overlevenden tot zwijgen maande. Waren hun verhalen wel geloofwaardig? En waarom hadden zij het vege lijf gered en hun naasten niet? Die terughoudendheid gold voor de overlevenden in de landen die hadden geleden onder de bezetting. Maar op een andere wijze kenmerkte dat zwijgen ook de houding van veel burgers in het land van de agressor. De Duitse schrijver Martin Walser heeft er vaak op gewezen: de geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars. Degenen die aan de foute kant van een historische afrekening terecht komen, welk recht van spreken hebben die in vredesnaam? Ze hebben verloren, maar ze zijn nog in leven, dus wat hebben ze te klagen, na alle schanddaden die in hun naam zijn geschied?

Neem Alfred Dorn uit Walsers belangrijkste roman Die Verteidigung der Kindheit (1991). De breuklijn die door zijn leven loopt is het bombardement op Dresden van 13 februari 1945, toen tienduizenden mensen in de vuurzee om het leven kwamen. Tijdens het bombardement dat hij als tienjarig jongetje overleeft, zijn alle familiebezittingen verloren gegaan. Er is niets meer dat aan vroeger herinnert en hij begint aan een zoektocht naar tastbare bewijzen van zijn leven vóór die fatale dag. Een poging die gaandeweg dwangmatiger wordt en tenslotte zijn hele leven opslokt. `Er was geen troost. Geen verdeling van de pijn. Geen betekenis. Sinds de aanval van negen jaar geleden. Naderhand als hij de oude straten terug probeerde te vinden drong de schok pas tot hem door. Hij voelde zich in de steek gelaten'.

Walser zegt dat 8 mei 1945 – de dag van de capitulatie – natuurlijk werd ervaren als een bittere nederlaag. Hij probeert het verhaal van de verliezer te schrijven, om zo een gevoel van eigenwaarde onder de puinhopen te redden. Dat is een waarachtiger houding dan die van de voormalige president Weizsäcker, die van 8 mei 1945 een `bevrijding' probeerde te maken, waardoor de Duitse bevolking ineens aan de kant van de overwinnaars uitkwam. Vooral voor de Duitsers in het Oosten, die van de ene dictatuur in de andere struikelden, kan de dag waarop de oorlog werd beëindigd nooit zomaar als een bevrijding gelden.

Het meest pregnante voorbeeld van Walsers stelling dat de geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaar is de geringe aandacht in de naoorlogse literatuur voor de omvangrijke luchtbombardementen op de Duitse steden. Daarbij gaat het om een door zeer velen ondergane oorlogsdaad, die de moraal van de Duitse bevolking beoogde te breken. In de woorden van Churchill zouden de daders nu te maken krijgen met `the shattering strokes of just retribution'. Zo vielen rond de zeshonderdduizend doden, werden drieëneenhalf miljoen huizen verwoest, waardoor tegen het einde van de oorlog zeveneneenhalf miljoen mensen dakloos waren. Verschillende van de meer dan honderd steden die het doelwit waren, werden geheel in puin gelegd.

In 1999 publiceerde de schrijver W.G. Sebald Luftkrieg und Literatur waarin hij deze lacune in de naoorlogse literatuur van zijn land nader beschouwde. Hoe omvangrijk de bombardementen ook zijn geweest, het lijkt erop dat ze nauwelijks een spoor hebben nagelaten in het collectieve bewustzijn. De verwoesting van de steden werd eerder gezien als de eerste fase van de wederopbouw, aldus Sebald, dan als het sluitstuk van een alles verwoestende oorlog: `De werkelijke toestand van materiële en morele vernietiging waarin het gehele land zich bevond, mocht op grond van een stilzwijgende en algemeen geldende afspraak niet worden beschreven'.

Er kan geen twijfel over bestaan dat de ervaringen tijdens de bombardementen verschrikkelijk waren en dat het overleven in het maanlandschap van de geruïneerde steden al evenzeer de verbeelding tart. Sebald vangt die ervaring in een anekdote, die de vertwijfeling en verdoving van de overlevenden laat zien. Hij vertelt het verhaal van een vluchtende vrouw, die in het gedrang op een treinstation haar koffer laat vallen. Die barst open en geeft de inhoud prijs: naast wat armzalige huisraad blijkt de vrouw het verkoolde lijk van haar kind met zich mee te zeulen. Waarom, zo vraagt hij zich af, zijn zovele indrukken van de ondergang nooit geboekstaafd?

Sebald wijst op uitzonderingen: onder meer het boek van Hans Erich Nossack Der Untergang, waarin het bombardement op Hamburg wordt beschreven en ook op het onlangs in Nederlandse vertaling uitgebrachte boek van Gert Ledig, Vergeltung, dat in 1956 verscheen. Hier hebben we een literair document dat op een indringende manier de ervaring beschrijft van een luchtbombardement op een niet nader omschreven Duitse stad. Samengebald in negenenzestig minuten heeft Ledig een collage gemaakt van de gebeurtenissen op alle niveaus, van hoog tot laag. Dat moet men letterlijk nemen: kris kras door elkaar verteld lezen we over de bemanning van een bommenwerper, een neergeschoten Amerikaan die aan een parachute de brandende stad tegemoet zeilt, de scholieren die het afweergeschut op het dak van een bovengrondse bunker bedienen, tot aan het echtpaar dat op tweehoog gelaten het einde afwacht, de vader die over straat zwalkt op zoek naar een kind en uiteindelijk het ondergrondse sterven in de schuilkelders.

Ledig, die de bombardementen op München meemaakte, hanteert een documentaire toon: `Een schoentje vloog met de bommenfontein de lucht in. Dat maakte niets uit. Het was al aan flarden. Toen de aarde die de lucht in geslingerd was weer omlaag kletterde, begon het huilen van de sirenes. Het klonk alsof een orkaan uitbrak. Honderdduizenden mensen voelden hun hart bonken. De stad stond sinds drie dagen in lichterlaaie, en sindsdien huilden de sirenes regelmatig te laat. Het was alsof ze met opzet zo werden aangezet, want tussen de bombardementen had men tijd nodig om te leven'.

De roman van Gert Ledig laat heel goed zien hoe gewelddadige ervaringen het geheugen vervormen. Het ontbreekt zulke herinneringen aan een verhaalstructuur: ze worden vastgelegd in de vorm van levendige gewaarwordingen en beelden. Het zijn gefragmenteerde indrukken, beelden zonder context. Ook het tijdsbesef verandert: vaak worden traumatische gebeurtenissen ervaren in slow motion. De keuze van Ledig om zijn roman te verdichten tot de weergave van een lang uur beantwoordt daaraan. In die eindeloos uitgerekte minuten is een heel universum samengevat van gelijktijdige voorvallen, die de chaos en het noodlot van een vernietigende oorlog laten zien.

Toch is Vergelding geen gesloten vertelling: er is ruimte voor een contrapunt. Ledig heeft de oorverdovende en ademloze wirwar onderbroken met verstilde passages. Het zijn korte beschrijvingen van het leven dat de mensen die ten onder gaan hebben geleefd voor de ramp. Daarin staan zijdelingse gewoonten of schijnbaar onbelangrijke details centraal. `Mijn haren droeg ik lang en in een rolletje boven aan mijn nek. Mijn grootste belevenis was een zomervakantie aan zee'. De vergeefsheid van al die levens die straks in het niets oplossen wordt zo benadrukt.

Ook op een andere manier ontsnapt de vertelling van Ledig. Het amorele universum dat in kaart wordt gebracht is doorsneden met spaarzame momenten van medeleven. Zo maken omstaanders in enkele woorden hun afgrijzen duidelijk over het lynchen van een Amerikaanse soldaat die halfnaakt door de brandende straten dwaalt. `Een man bracht hem een deken, hulde hem erin. Hij zonk ter aarde. Strenehens rechterhand klapte op het beton. ``Ik schaam me' zei een stem bij de muur, ``voor degenen die dat op hun geweten hebben'. Strenehen rolde in de deken op zijn zij. Zijn ogen sloten zich'.

Het lijkt alsof Vergelding de stelling van Sebald enigszins weerspreekt, maar de geschiedenis van het boek laat zien dat midden jaren vijftig weinigen op dit ontnuchterende epos van vernietiging zaten te wachten. Het boek werd met de grond gelijk gemaakt door de kritiek – verwonderlijk gezien het gunstige onthaal van het een jaar eerder verschenen boek van Ledig, dat handelt over de gebeurtenissen aan het Oostfront. Ook Stalinorgel is een montage van beelden en evenzeer gebaseerd op eigen ervaringen van Ledig. Dat boek werd in vele talen uitgegeven, maar Vergeltung werd snel vergeten en na nog een derde oorlogsboek, Faustrecht, zei de auteur het schrijverschap vaarwel. Pas naar aanleiding van de discussie rond de stellingen van Sebald werd het boek herontdekt en opnieuw uitgegeven.

De nietsontziende schildering van de gevolgen van de geallieerde luchtbombardementen werd Ledig verweten. De lezer wordt inderdaad niet gespaard: `Hij botste met zijn hoofd tegen een verkeersbord. Viel. Tuimelde met uitgespreide armen van het trottoir. Op de rijweg. In het vloeibare asfalt. Er klonk gesis. Op het teer vormden zich bellen. Door pijn gefolterd wentelde hij zich als een zwarte klomp in de taaie massa'. Dat hulpeloze sterven van mannen, vrouwen en kinderen was iets anders dan een bericht van het front, zoals ook de beschrijving van een verkrachtingsscène in een ingestorte schuilkelder, duidelijk te veel was.

`Zo zag de vergelding eruit', aldus Ledig. De titel van het boek steekt. Met het enkele woord `vergelding' wordt gezegd dat de bombardementen geen ander doel dienden dan het oog om oog. Daarin liggen pijnlijke vragen besloten, ook wanneer de oorlogsomstandigheden ten volle worden meegewogen. Hoe moet achteraf het besluit worden beoordeeld om zonder enig onderscheid op massale schaal burgers te doden? Dat zelfonderzoek klinkt door in Het stenen bruidsbed (1959) van Harry Mulisch en Slaughterhouse-Five (1969) van Kurt Vonnegut. Misschien kwam deze literaire verwerking van het bombardement op Dresden te vroeg om de al te eenduidige herinnering aan de oorlog duurzaam te ontregelen.

`Vergelding' roept ook een andere vraag op: hoe zijn de overwinnaars na het einde van de oorlog omgegaan met de burgerbevolking en de soldaten van het verslagen Duitsland? Nog steeds is de gewelddadige verdrijving van de Duitse inwoners uit een land als Tsjechoslowakije – ondanks de excuses die president Havel aanbood – geen deel van de collectieve herinnering aan de oorlogsjaren. Alleen wanneer wordt geloofd in zoiets als collectieve schuld die alle Duitsers in gelijke mate toekomt, kan men de vernietiging van Dresden of de verdrijving van de Sudeten-Duitsers rechtvaardigen.

De door Sebald waargenomen lacune in de Duitse literatuur heeft vast en zeker te maken met het naoorlogse gevoel dat de vergelding door de luchtbombardementen terecht was of althans dat een volk dat zoveel ellende over de wereld heeft gebracht, zijn eigen vernedering gelaten behoort te ondergaan. Geheugenverlies en schuldgevoel versterkten elkaar in een zwijgen over eigen ervaringen als slachtoffer van het oorlogsgeweld. Dat alles droeg bij tot een vorm van volgehouden zelfcensuur: wie zijn wij om aandacht te vragen? Zo bleef het een soort familiegeheim.

In die morele omgeving pasten geen vertellingen over een catastrofe waarin goed en kwaad al te gemakkelijk vervagen. De problemen die zo'n manier van kijken oplevert, worden goed duidelijk in de dagboeken die de Duitse schrijver Ernst Jünger tijdens de oorlog bijhield. De Tweede Wereldoorlog legt volgens deze schrijver nog scherper dan de Eerste bloot dat de geweldige vooruitgang in de beheersing van de natuur ten dienste kan worden gesteld van onmenselijkheid: `Momenteel is de mens voor de mens een bijzondere grondstof geworden. Dat is een toestand die men als een verheven kannibalisme kan omschrijven'.

Tegenover deze vernietiging zoekt de schrijver een vorm van `innere Emigration'. Dat vermogen om zo onthecht mogelijk te beschouwen stuit echter op grenzen. Wanneer Jünger de ruïnes van Düsseldorf aanschouwt, spoken de beelden van het Forum Romanum door zijn hoofd. Door zo'n beeld van eeuwige wederkeer op te roepen, wordt het verlies draaglijk, want alles is vergankelijk en gaat ooit ten onder. In zulke passages herkennen we een welhaast laconieke omgang met de wereldgeschiedenis: de beschavingsbreuk van twaalf jaar Hitler verdwijnt als een golfslag in het geweld dat nu eenmaal de gehele geschiedenis doortrekt.

Een vergelijkbare ambivalentie zien we in zijn opmerkingen over de holocaust. Jünger schrijft, zonder overigens het jodendom bij naam te noemen: `Deze kelders van de moord zullen tot in lengte van dagen worden herinnerd, ze zijn de eigenlijke monumenten van deze oorlog'. Maar ook hier lost de schuldtoewijzing op in de meest algemene betekenis: `de schending was dusdanig dat die de gehele mensheid raakt en niemand zich aan de medeplichtigheid kan onttrekken'. De poging om boven de partijen te staan gaat haast onmerkbaar over in een ontkenning van verantwoordelijkheid. Want als iedereen schuld heeft is niemand in het bijzonder aanspreekbaar. Hoogstens kan de tijdgeest worden aangeklaagd: `daar eindigde de vooruitgang'.

Wat wel onderschreven kan worden in zijn bittere commentaar is dat het lijden van de Duitse bevolking in en ook na de oorlog een ongeschreven geschiedenis is: de naamlozen die ten onder zijn gegaan hebben geen woordvoeders. In zijn dagboekaantekeningen omschrijft Jünger het bombardement op Dresden als schoppen tegen een kadaver en hij noteert met nauw verholen woede het stilzwijgen over de verdrijving van de Duitsers uit het Oosten. Bij die etnische zuivering kwamen honderdduizenden mensen om het leven.

Maar Jünger gaat veel verder en vergelijkt het lot van de Duitsers met dat van de joden. Hier slaat de aanklacht om in een pijnlijke ontkenning van de geschiedenis. Zo worden de verleidingen duidelijk van de schrijver die probeert de Duitse oorlogsslachtoffers een plaats te geven. Wat de Duitsers is overkomen wordt al snel tot een argument om aan de historische schuld te ontsnappen: het ene kwaad wordt tegen het andere weggestreept. Dat kan nooit een antwoord zijn op de morele dilemma's die sommige oorlogsdaden aan geallieerde zijde opwerpen.

Toch kan het verhaal van de slachtoffers aan Duitse kant worden verteld, zonder dat daarmee de volkerenmoord die in Duitse naam is gepleegd minder nadruk zou hoeven krijgen. Na al die jaren zou het mogelijk moeten zijn om de lotgevallen van Duitse burgers en soldaten tot ons door te laten dringen, ook al bleven ze tot het laatste moment in hun oorlog geloven. Misschien slaagt de compromisloze en documentaire roman van Ledig er wel in ruimte te scheppen voor het overdenken van vergeldingsdaden die te zeer onvermeld en dus onbegrepen zijn gebleven.

Gert Ledig: Vergelding. Uit het Duits vertaald door Peter Claessens. De Arbeiderspers, 191 blz. ƒ39,65