Waarom zijn wij niet normaal?

Ondanks de recente vernieuwingsdrang van de centrum-linkse coalitie, dreigen vele zwevende kiezers in Italië 13 mei te stemmen op mediamagnaat Silvio Berlusconi. Vier boeken somberen over de lage publieke moraal, het gebrek aan burgerzin en politieke onmacht.

Zal Italië ooit een normaal land worden? De verkiezingscampagne kent een bonte verzameling spelers die geknipt zijn voor een opera buffa. Een steenrijke megalomane miljardair die het publiek bespeelt via zijn tv-zenders en nu premier wil worden. Een rauwe populist die de zittende premier uitscheldt voor `een nazistische dwerg'. En een kluwen linkse politici in grijze pakken die met afhangende schouders roepen dat ze nòg een keer willen, en ondertussen elkaar van het podium proberen te duwen. Prominente kandidaten die beloven dat ze schoon schip zullen maken. En: `Gevangenen maken we niet.'

Buitenlandse kranten doen alsof we een bananenrepubliek zijn, protesteert Gianni Agnelli, ere-president van Fiat en de ongekroonde onderkoning van Italië. Maar ook Italianen zelf erkennen dat Italië geen normaal land is. Soms als excuus, soms als beschuldiging. Medestanders van mediamagnaat en oppositieleider Silvio Berlusconi voeren het vaak aan om zijn belangenconflict te vergoeilijken. En een prominente linkse politicus als oud-premier Massimo D'Alema, voorman van de Linkse Democraten, heeft zijn droom van een normaal land opgeschreven in een boek met die titel.

In 1992 brak een reeks smeergeld- en maffiaschandalen uit die alles op losse schroeven heeft gezet. Een politiek bestel dat een halve eeuw had standgehouden, stortte vrijwel volledig in. Sindsdien is er een constante stroom van boeken waarin politicologen en politici, historici en journalisten, hun land tegen het licht houden. Met als kernvraag: waarom wordt Italië maar geen normaal land? Vijftig jaar lang was het een buitenbeentje, beschreven als een geblokkeerde democratie of Democratie op zijn Italiaans. De machthebbers waren steeds dezelfde, de oppositie zat gevangen in de kooi van haar communistische ideologie. Toen dat systeem bezweek, leek de weg vrij voor normalisering. Maar de veranderingen waar veel mensen midden jaren negentig op hoopten, hebben niet doorgezet of zijn geblokkeerd.

De politicoloog Pasquino zegt dat Italië nog steeds in de overgang is. `Het oude sterft niet en het nieuwe komt met moeite op, en in dit interregnum zien we overal kiemen van degeneratie', schrijft hij. Maar Caracciolo, hoofdredacteur van het tijdschrift voor geopolitiek Limes, verwerpt in zijn boek Terra Incognita het idee van een overgangsperiode. Dat impliceert dat je weet waar je naar toe gaat. Maar Italië is het spoor bijster, alles is mogelijk, schrijft hij. Die zogeheten overgang `kan eindeloos duren of eindigen met het verdwijnen van de Italiaanse Staat, verbrokkeld in verscheidene staatjes of opgenomen in een Europese Staat. Zij kan uitmonden in een regime dat niet langer democratisch is, of in een efficiëntere democratie.'

Lage moraal

Helemaal somber is Antonio Di Pietro. In zijn interview-boek Intervista su Tangentopoli blikt hij terug op Tangentopoli, de verzamelnaam voor alle smeergeldonderzoeken, die hij als officier van justitie in Milaan op gang heeft gebracht. Hij constateert dat het elan en de hoop van begin jaren negentig zijn verdampt. Di Pietro legt de oorzaak daarvoor bij de lage publieke moraal van Italië. `De waarheid is dat in ons land het ethisch niveau is gedaald', zegt hij. `Wie gedwongen wordt in het oerwoud te leven, went uiteindelijk zelfs aan kannibalisme.'

Italië is zijn vangnet kwijt, zegt Caracciolo. Decennia lang heeft de tweedeling tussen christen-democraten en communisten de speelruimte beperkt. Een meerderheid stemde op de christen-democraten, desnoods met de neus dicht, omdat het alternatief de communisten was. Met de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het einde van de Koude Oorlog tien jaar geleden is dat kader verdwenen. Alle remmen zijn los. Ineens heeft ook Italië een grote massa zwevende kiezers gekregen. Zij kijken met hele andere ogen dan vroeger naar de politiek. En bovenal: ze vragen vernieuwing.

Italië moet bij zichzelf te rade gaan. Wat zijn de nieuwe referentiepunten? En dan blijkt hoe fragiel de Italiaanse staat is. Het is een thema dat overal terugkomt: het gebrek aan burgerzin. Er is geen stevige gemeenschappelijke basis van normen en waarden, geen akkoord over wat democratische spelregels zijn. Het traditionele ijkpunt is de familie, de clan, de directe omgeving. En niet de abstracte overheid, die bovendien de burger jarenlang als een vod heeft behandeld. Een Italiaan zal nooit met hetzelfde gevoel praten over de republiek als een Fransman. Wat ontbreekt is ook een basiserkenning van de legitimiteit van de tegenstander: regelmatig zeggen zowel links als rechts van elkaar dat ze een gevaar zijn voor de democratie.

Tegen deze achtergrond wordt de discussie over belangenverstrengeling van Berlusconi gevoerd. Ook zijn tegenstanders gaan bij hun suggesties voor een oplossing meestal uit van de bijzondere situatie die is gegroeid. Vrijwel niemand begint aan de andere kant en zegt: zo'n belangenconflict is per definitie onaanvaardbaar in een democratie, punto e basta. Berlusconi zelf voelt het niet eens als een probleem.

Een deel van links is medeschuldig, schrijft Pasquino in La transizione a parole. Sommigen wilden bewust geen wet tegen belangenverstrengeling. Ze hoopten dat Berlusconi hierdoor politiek kreupel zou worden en/of als bindmiddel voor de heterogene coalitie zou fungeren. Dat centrum-links pas na vijf jaar regeren, aan het begin van de verkiezingscampagne, het probleem ontdekt, maakt de kritiek op Berlusconi voor veel kiezers ongeloofwaardig. Zo moet de grootste politieke anomalie worden verklaard uit een combinatie van factoren: onverschilligheid voor het principe van machtenscheiding; machiavellistisch opportunisme van een deel van centrum-links; en het propaganda-offensief van Berlusconi waarin hij zegt dat iedereen rustig kan gaan slapen en dat hij zelf wel met een oplossing zal komen.

Een andere paradox is de positie van links. Vijf jaar is de centrum-linkse coalitie aan de macht geweest. Zij heeft een huzarenstukje verricht door Italië de Economische en Monetaire Unie binnen te slepen. Een land als Denemarken kan zonder veel consequenties verkiezen buiten de euro-zone te blijven, voor het fragielere Italië zou dat dramatische consequenties hebben gehad, met om te beginnen versterking van de roep om afscheiding door het noorden. De coalitie heeft ook een aantal hervormingen in gang gezet die voorgaande kabinetten steeds voor zich uit hebben geschoven omdat ze te ingewikkeld waren: in het onderwijs, de gezondheidszorg, de bureaucratie vooral. Er blijft veel te wensen over, maar het is een rapport waarvoor niemand zich hoeft te schamen.

Toch is die staat van dienst nauwelijks een issue in de campagne. Ook Francesco Rutelli, de voormalige burgemeester van Rome die tot lijsttrekker van centrum-links is gebombardeerd, praat vaker over vernieuwen dan over doorgaan.

Politieke wezen

Pasquino en Caracciolo geven dezelfde verklaring voor deze malaise. Er heeft in het oude bestel jarenlang een symbiose bestaan tussen communisten en christen-democraten. De communisten waren wel in de oppositie, maar kregen hun deel van de macht, in de vorm van banen en wetten. Ze waren deel van het bestel. Toen de christen-democraten sneuvelden over corruptie en maffiaschandalen, vulde Berlusconi in een paar maanden het gat op. Hij bood de politieke wezen ter rechterzijde een thuishaven en maakte mensen enthousiast met de belofte van een liberale revolutie. Zijn tegenstanders ter linkerzijde hadden onvoldoende in de gaten dat zij zichzelf ook ingrijpend moesten vernieuwen. De verkiezingen van 1992 hadden laten zien dat de grootste partij van links in een diepe malaise verkeerde, maar na het morele faillissement van haar belangrijkste tegenspeler dacht zij twee jaar later als vanzelfsprekend te winnen.

Dat proces en dat gevoel van morele superioriteit worden van binnen uit beschreven door Claudio Petruccioli in Rendi conto. Hij was van 1987 tot 1994 een van de topmensen van de partij, lid van het secretariaat, en publiceert nu zijn herinneringen aan die roerige periode. Petruccioli beschijft met veel details hoe moeizaam de partij in 1991 afscheid nam van haar communistische verleden. Hoe oude reflexen bleven bestaan, ook toen de naam Democratische Partij van Links was geworden.

Petruccioli zegt dat een aantal partijgenoten alleen maar heeft meegedaan met de naamsverandering om de rest intact te kunnen laten. Hun motto was het beroemde citaat uit de roman De Tijgerkat: alles veranderen opdat alles hetzelfde blijft. Prodi was in 1996 de vernieuwer, schrijft Petruccioli in zijn nawoord. De Olijf-coalitie had de kiemen in zich van zo'n linkse eenheidspartij. Maar Prodi is in 1998 beentje gelicht, D'Alema kwam aan de macht, en het perspectief verdween.

D'Alema gelooft niet in de Olijf. Hij wil een leidende rol voor zijn Linkse Democraten, met daaromheen een aantal satellietpartijen. Dat is de kern van de spanningen binnen centrum-links, die hebben geleid tot vier kabinetten in vijf jaar. Rutelli probeert de Olijf weer nieuw leven in te blazen, maar dat gaat uiterst moeizaam. Ook links zit nog steeds in een overgangsperiode, constateert Petruccioli.

Zo'n kijkje in de keuken is koren op de molen van Berlusconi. Het verklaart ook waarom hij niet wordt weggehoond als hij D'Alema aanduidt als `een oude bolsjeviek'. In de ogen van zijn kiezers heeft Berlusconi meer vernieuwing gebracht dan de Linkse Democraten. Een andere toon, maar ook meer nieuwe gezichten, en een nieuwe, ondernemersachtige benadering van de politiek.

Een hoofdprobleem in het Italiaanse debat is het gebrek aan referentiepunten. Anti-communisme en anti-fascisme zijn nauwelijks relevant meer. Europa biedt soms steun. Caracciolo constateert dat de Europese Unie het land heeft gedwongen hervormingen door te voeren en regels op te stellen waartoe de nationale politiek niet in staat was. Uit onmacht, door verdeeldheid. Sommige Italianen ervaren ook de kritiek in de buitenlandse kranten op Berlusconi als zodanig.

Maar Caracciolo roept zijn landgenoten op in de spiegel te kijken en zelf, met eigen waarden, aan een nieuw bestel te gaan bouwen. `Europa kan ons niet redden', zo besluit hij zijn boek. `We moeten het zelf doen.' Maar op dit moment is Italië sterk verdeeld over Berlusconi. Eén groep ziet hem als de beste bouwmeester, een andere juist als de sloper van de democratie. En dat is een wankele basis om een nieuw politiek bestel op te bouwen.

Lucio Caracciolo: Terra Incognita. Le radici geopolitiche della crisi italiana. Editori Laterza, 109 blz. ƒ22,25

Antonio Di Pietro: Intervista su Tangentopoli. Editori Laterza, 199 blz. ƒ29,70

Gianfranco Pasquino: La transizione a parole. Il Mulino, 232 blz. ƒ33,-

Claudio Petruccioli: Rendi conto. Il Saggiatore, 248 blz. ƒ36,-

De boeken zijn niet vertaald. Ze zijn verkrijgbaar bij Libreria Bonardi te Amsterdam, die gespecialiseerd is in Italiaanse literatuur. Tel. 020 6239844.

Kop pagina: Landsbestuur