Van wie is de halve Herakles?

Tijdens een tentoonstelling in Rotterdam werd onlangs gerechtelijk beslag gelegd op een Cézanne. Het doek zou geroofd zijn in de oorlog. De moeizame verhouding van recht en moraal die dan naar voren treedt, laat zich ook gelden bij claims van inheemse volken.

De oorlogsgoden Masewi en Oyoyewi spelen een centrale rol in de beleving van het Zuni-volk in de Amerikaanse staat Nieuw Mexico. Ieder jaar plaatsen ze hun beeltenissen (ahayu:da's), vervaardigd uit natuurlijke materialen, in schrijnen in de buitenlucht om ze vervolgens onder invloed van de elementen te laten verdwijnen en weer één te laten worden met de aarde. Het wegnemen van een ahayu:da van zijn plaats van verval kan in de opvatting van de Zuni tot gevolg hebben dat de goden zich zullen wreken op de mens.

De Zuni beschouwen ahayu:da's als gemeenschapsbezit. Verkoop of schenking is nimmer toegestaan zodat de stam onder alle omstandigheden een beeldje kan terugeisen, waar het zich ook bevindt. In 1990 kreeg zij een steuntje in de rug door een federale wet over de bescherming en teruggave van indiaanse graven (NAGPRA).

Dit voorbeeld van de Zuni gaf Stephan Sjouke in het proefschrift Het behoud van cultuurgoederen, Twee werelden, twee visies (uitg. Ars Aequi Libri) waarop hij twee jaar geleden promoveerde aan de Erasmus Universiteit. De Amerikaanse wet stelt zeker wat voor. De New York Times sprak op 24 december vorig jaar in een grote reportage zelfs over een ware cultuuromslag die een `positieve uitwerking op de twee werelden' van stammen en museumbeheerders heeft gehad. Maar internationaal gezien helpt NAGPRA de Zuni niet veel verder. Van het grote aantal beelden in Europa en Japan is nog geen enkel exemplaar geretourneerd.

Internationaal-rechtelijk gezien is er voor de inheemse volkeren dan ook een harde noot te kraken. Dit recht laat bewust beperkte ruimte voor claims met een collectief karakter, zoals die van de Zuni. Zij eisen zelfs beelden terug die Frank Hamilton Cushing, een antropoloog die in de negentiende eeuw een tijdje meeliep als Zuni-priester, heeft gemaakt. De beelden waren weliswaar door hém gemaakt, maar volgens hún ideeën.

Rustende Herakles

De kloof tussen deze twee benaderingen is volgens Sjouke zo groot dat zij onverenigbaar zijn. Toch blijft er iets knagen, zo blijkt uit Loot, Legitimacy and Ownership van Lord Colin Renfrew, hoogleraar archeologie aan de Universiteit van Cambridge. In dit boekje, gebaseerd op de Kroon-lezing die hij in december 1999 hield in Amsterdam, behandelt Renfrew een serie causes célèbres: de Kouros van het Getty Museum, de Rustende Herakles in Boston, de schatten van Sevso en Lydië. Bij de kouros is het niet alleen de vraag of hij gesmokkeld is, maar ook of het niet om een vervalsing gaat. De Sevsoschat, een belangrijk ensemble laat-Romeins zilver die gevonden zou zijn in Libanon, kwam in de loop van de jaren tachtig terecht bij de Markies van Northampton. Het bleek geen rustig bezit en leidde tot twee rechtszaken. Een daarvan betrof de advocaten van de markies en mondde uit in een schikking die volgens Renfrew althans enige verheldering brengt in het vereiste van `due dilligence' (oplettendheid) bij kunstaankopen.

De Lydische kwestie betrof opengebroken grafheuvels uit de tijd van de legendarische koning Croesus. Deze episode bevat volgens Renfrew twee lessen: objecten met een luchtje kunnen terecht komen in vooraanstaande openbare collecties (in casu het Metropolitan Museum in New York) maar het land van oorsprong staat niet machteloos. De Lydische kunstschat werd met succes door Turkije teruggevorderd. De Herakles (beter gezegd: de bovenste helft van een onderstuk in Turkije) is nog in Boston.

De grote zorg van Renfrew is de `provenance', beter gezegd; de ruwe manier waarop illegale objecten zonder behoorlijke beschrijving uit hun oorspronkelijke context worden gehaald. `Daarbij gaat de gelegenheid verloren iets toe te voegen aan ons begrip van de (pre)historie'. De interessante vraag is in hoeverre de wetenschappelijke zorg voor provenance synoniem is met de uitvoervoorschriften van het land van herkomst. Sommige landen zijn zeer zuinig op beperking van de kunstexport (zoals Nederland), maar er zijn er ook die claims leggen op al wat ouder is dan vijftig jaar.

Dat maakt de moderne internationale markt in antiquiteiten bijna per definitie tot `een zwarte markt', noteerde de Amerikaanse archeologe Clemency Chase Goggins in 1998. Net als Renfrew maakte zij zich zorgen over plundering. Maar zij waarschuwde ook dat een Amerikaanse wet tegen de illegale pre-Columbiaanse figurines weliswaar een `dramatisch succes' was maar tevens heeft geleid tot enorme vernielingen door grafrovers. Zo zou je bijna naar de slechte oude tijd terugverlangen, verzucht zij.

Hoge beginselen

Soms zijn hoge beginselen trouwens helemaal niet een optie, zoals valt te illustreren met de recente beeldenstorm van de Talibaan tegen het eeuwenoude Boeddhistische erfgoed van Afghanistan. Het dagblad Le Monde berichtte dat `duizenden objecten terecht zijn gekomen op de markten van het Westen en Azië'. Dat gaat zeker ten koste van de provenance. Maar het alternatief van totale vernieling kan toch moeilijk de voorkeur verdienen.

Deze episode onderstreept overigens alleen maar de ernst van de `ethische crisis' die Renfrew signaleert. Noodsituaties als Afghanistan kunnen niet als excuus dienen om af te zien van elementaire oplettendheid bij het verwervingsbeleid van zowel het particuliere als het openbare kunstbezit. Daar zijn allerlei praktische handvaten voor, zo blijkt nog weer eens uit de Museumrechtwijzer die vorig jaar verscheen bij de Boekmanstichting in Amsterdam. Dit `juridisch handboek voor musea' handelt overigens over heel wat meer dan het archeologisch erfgoed en inheemse kunst.

Uiteindelijk gaat het om een `moreel appèl', zegt Renfrew, ook al verklaart hij zich ervan bewust te zijn dat zoiets nauwelijks acceptabel is in `polite society'. Zelfs na aftrek van enige overgevoeligheid is de crisis van Renfrew echter niet zo eenvoudig als hij wordt opgediend. Zie de Talibaan. En dan is er het hete hangijzer van de teruggave van culturele objecten – met als het klassieke voorbeeld de Elgin Marbles in het British Museum. Deze omstreden kunstschat gaf zijn naam aan de essays die John Henry Merryman bundelde onder de titel Thinking About the Elgin Marbles. Hij is de internationaal gerespecteerde nestor van het vak kunst en recht in de Verenigde Staten. Merryman beschrijft het proces waardoor hij als `praktiserend hellenofiel' tot de conclusie kwam dat de Griekse eis tot teruggave – hoe begrijpelijk ook – toch niet voor honorering in aanmerking komt. Dit procédé heeft hij inmiddels voor andere kwesties herhaald. Het stuk is intussen meer dan vijftien jaar oud, maar nog steeds inspirerend.

Renfrew zegt dat het hem er alleen om gaat een halt toe te roepen aan de actuele roofpartijen en dat repatriëring van erfgoed een ander chapiter is. Maar in zijn slotwoord kwalificeert hij terugsturen als het logische sluitstuk van zijn pleidooi tegen plundering. Restitutie en teruggave (de termen maken juridisch enig verschil) zijn niet meer het taboe dat het ooit was, zo leert de Amerikaanse NAGPRA-wet. Maar het is eveneens een feit dat het erfgoed van de een door de onverbiddelijke loop der geschiedenis mede onderdeel gaat uitmaken van het cultuurbezit van de ander. Dat is óók een culturele realiteit. De geschiedenis terugdraaien heeft zijn eigen problemen.

Een acuut dilemma vormt de zogeheten oorlogskunst, culturele objecten die door of onder invloed van de nazi's rond de Tweede Wereldoorlog zijn ontnomen aan met name joodse eigenaren. De nazaten van een beroofde Franse kunsthandelaar hebben onlangs gerechtelijk beslag laten leggen op een werk van Cézanne uit de collectie-Rau op de net afgelopen expositie Meesterlijk verzameld in de Rotterdamse Kunsthal. Dat zegt op zichzelf nog weinig over de afloop van de eigenlijke rechtszaak, maar is wel een zeldzame ingreep in het internationale tentoonstellingscircuit.

Ook juristen worstelen met de conflicterende belangen die met de oorlogskunst zijn gemoeid. Niet de minste complicatie is de variatie aan nationale rechtstradities, terwijl het bij uitstek om een grensoverschrijdend probleem gaat. De Britse hoogleraar en advocaat Norman Palmer heeft met behulp van enkele gespecialiseerde auteurs een nuttige poging gedaan dit juridische en morele mijnenveld in kaart te brengen onder de titel Museums and the Holocaust.

Schrikken

Hoe onbeschaamd de plundering was, is inmiddels wel bekend van een hele reeks eerdere publicaties. Maar het blijft toch telkens weer schrikken, zo blijkt uit een recente toevoeging als The Lost Masters, The Looting of Europe's Treasurehouses door Peter Harclerode en Brenda Pittaway. Daarin wordt onder meer het lot van de Parijse galerie Bernheim-Jeune, dat ten grondslag ligt aan de beslaglegging in de Rotterdamse Kunsthal, besproken evenals eerdere pogingen van de familie aanspraken geldend te maken.

De opsomming van gestolen en afgetroggelde kunstwerken in dit soort boeken draagt niet direct bij tot het leesplezier maar belangrijk is ze wel. Informatie over de verdwenen kunstschatten – alweer: het belang van de provenance – is een eerste vereiste om de ogenschijnlijk vanzelfsprekende aanwezigheid van werken in gerenommeerde collecties ter discussie te kunnen stellen. De laatste tijd komt het steeds meer tot processen. Palmer heeft de tekst van enkele leerzame uitspraken als bijlage in zijn Museums and the Holocaust opgenomen.

Het recht heeft zoveel jaren na de oorlog minder te bieden dan sommigen wellicht verwachten, zo blijkt nog weer eens uit zijn boek: `de stem van de rechter is gedempt en er komt geen duidelijke houding naar voren'. Palmer schrijft dat toe aan de verscheidenheid aan rechterlijke instanties die met dit soort zaken te maken krijgen en ook wel een beetje aan het bescheiden aantal van dit soort zaken tot nu toe. Aan dat laatste valt natuurlijk wat te doen.

Toch is Palmer geen voorstander van een explosie van rechtszaken over oorlogskunst. Hij geeft veeleer de raad `legalisme te vermijden, zowel wat betreft de inhoudelijke verdediging van claims als wat betreft de te kiezen oplossing'. Deze moet niet zozeer komen van de rechter als van `speciale organen en oplossingstechnieken buiten het normale juridische systeem'. Dit onderstreept dat beslissingen over oorlogskunst na zoveel jaren een in wezen morele afweging vormen zonder directe rechtsgrond. Een ongemakkelijke verhouding waarover het laatste woord niet is gezegd.

Colin Renfrew: Loot, Legitimacy and Ownership. The Ethical Crisis in Archeology. Duckworth, 160 blz. ƒ45,75

Norman Palmer: Museums and the Holocaust. Law, principles and practice. Institute of Law and Art, Londen, 327 blz. ƒ129,60

John Henry Merryman: Thinking About the Elgin Marbles. Critical Essays on Cultural property, Art and Law. Kluwer Law International, 468 blz. ƒ497,65

Peter Harclerode en Brenday Pittaway: The Lost Masters. The Looting of Europe's Treasurehouses. Gollancz, 402 blz. ƒ45,75