SPRAKELOOS

De o zo keurige shortlist voor de zondag uit te reiken Librisprijs is een teken aan de wand: de Nederlandse literatuur ligt in coma. Waar blijven de Hollandse Mark Twains, de achterneefjes van Multatuli die daar verandering in kunnen brengen?

Onder de titel `Voorvallen' schreef de Russische absurdist Daniil Charms in de jaren twintig een ultrakort verhaal waarin het slecht afloopt met alle personages. `Orlov overat zich op een keer aan erwtensoep en hij stierf; toen Krylov dit hoorde, stierf hij ook', begint het miniatuurtje (in de vertaling van Charles Timmer). Waarna de schrijver in een hoog tempo het droeve lot van een tiental anderen schetst – van Spiridonov die `zo maar vanzelf' de geest gaf tot Michajlov die de schurft kreeg omdat hij het vertikte om nog langer zijn haar te kammen. Een clou komt er niet, wel een laatste zin die zich onomkeerbaar vasthaakt in het geheugen: `Brave lieden allemaal, alleen – zonder ruggegraat.'

Het was deze zin die bij me opkwam toen begin april de nominaties bekend werden gemaakt voor de Libris Literatuurprijs 2001. Allereerst omdat de jury, onder voorzitterschap van oud-minister Winnie Sorgdrager, uit haar eigen `Eerste Selectie' van 22 titels uit het jaar 2000 alleen boeken van gevestigde schrijvers had gekozen, en dus toen het erop aankwam voorbij was gegaan aan de veelbelovende debuten van Floor Haakman (Oneetbaar brood), Marek van der Jagt (De geschiedenis van mijn kaalheid) en Nicolien Mizee (Voor God en de Sociale Dienst). Maar ook omdat de zes uitverkoren boeken bijna zonder uitzondering zulk vakwerk zijn; zo braaf en zonder rafelrandjes, zo `Omo-wit en stil en onbeduidend' om met een liedje uit de jaren zeventig te spreken.

Neem het vlaggenschip van de Libris-shortlist, J. Bernlefs omvangrijke historische roman Boy. Het is een verhaal met een kop en een staart, over een journalist die in het New York van de vroege twintigste eeuw stap voor stap klaarheid brengt in de mysterieuze moord op een ster uit de zwijgende film. Een gedetailleerd verhaal dat degelijk verliteratuurd is, met een uitgekiende compositie, een slim uitgewerkt thema (de beperktheid van de menselijke waarneming) en subtiele spiegeleffecten, waarvan de doofstomheid van het titelpersonage niet het minste is. Maar ook een loom verteld verhaal in de derde persoon enkelvoud, met wisselende perspectieven, dat niet verrast in de vorm en eerder onderhoudend is dan spannend.

Boy laat de lezer achter met bewondering voor het getoonde vakmanschap, in plaats van betrokkenheid bij het lot van de hoofdpersonen; en datzelfde kan gezegd worden over Een man een man van (toneel)schrijfster Wanda Reisel. Reisels roman over de rivaliteit in leven en liefde van twee vrienden uit de hogere middenklasse mag dan een dynamischer indruk maken dan Boy (al was het maar door de situering in het Amsterdam van yuppies en glamourcriminelen), het is een boek dat plezierig wegleest zonder dat het grote opwinding, fanatiek meeleven of diepe gedachten teweegbrengt. Wat altijd nog beter is dan Franklin van Tomas Lieske. De (alfabetische) nummer twee op de Libris-lijst wordt door de jury geprezen om zijn `overweldigende beelden' en `spervuur van taal', en is inderdaad niet op een slechte zin te betrappen. Dat neemt niet weg dat de combinatie van staccato alinea's en gruwelijke details voor veel lezers een beproeving zal zijn, en dat het verhaal van een Haagse verschoppeling en diens door de Tweede Wereldoorlog verknipte oom mij siberisch liet – koud als de Finse nikkelmijn waarin de roman begint.

En zo kunnen we het rijtje afgaan. De trein naar Pavlovsk en Oostvoorne van Toon Tellegen is een juweeltje, een simpele maar o zo elegant geschreven bundeling van korte jeugdherinneringen waarin de verhalen van de Russische grootvader van de schrijver een centrale plaats innemen. Er is op het bescheiden boekje (180 ruim getypografeerde bladzijden) weinig aan te merken – het is geestig, ontroerend en ademt een melancholieke sfeer die zelfs aan de grote Russen uit de negentiende eeuw doet denken – maar het is ook niet echt een voorbeeld van `boldly going where no man has gone before'.

Dat laatste mag je misschien niet van Tellegen verwachten; hij is een meesterstilist, net als zijn naaste concurrent op de Librislijst, Erwin Mortier. De jonge Vlaming, die bij zijn debuut Marcel (1999) terecht de hemel in werd geprezen, laat ook in Mijn tweede huid geen enkel steekje vallen. Zijn bitterzoete beschrijving van een (onuitgesproken homoseksuele) jeugd op het West-Belgische platteland in de jaren zestig en zeventig is een prachtig voorbeeld van het soort Vlaamse literatuur dat in Nederland op verdiende bijval kan rekenen: ingehouden, perfectionistisch, een tikje gemoedelijk en met genoeg verrassende flandricismen om het geheel exotisch te houden.

Eigenlijk is alleen Het gemaal van Frank Noë een vreemde eend in de bijt. Niet omdat de schrijver – behalve wellicht bij lezers van de filmrubriek op de televisiepagina van NRC Handelsblad – relatief onbekend is; maar omdat zijn kroniek van mislukte levens tegen de achtergrond van de inpoldering van het IJsselmeer wél overloopt van de ambitie en wél getekend is door haken en ogen. Noë schreef een western over een oer-Hollands stuk van de geschiedenis, in de onheroïsche illusieloze stijl van Cormac McCarthy (All the Pretty Horses). Dat de verteller van Het gemaal, een aandoenlijke rouwdouw, zijn gespierde taal niet al te consequent volhoudt, en zich te veel een schrijversbedenksel toont, stoort minder als je net vijf boeken vol gestaalde perfectie hebt uitgelezen. Liever dit nog dan het overbodige vertoon van Lieske of de al te sympathieke kabbelingen van Bernlef.

De Libris-shortlist 2001 sprankelt je niet bepaald tegemoet. Maar wiens schuld is dat? In de discussie die volgde op de bekendmaking van de zes nominaties kreeg de jury het zwaar te verduren, omdat ze het gewaagd had vijf auteurs van dezelfde uitgeverij, Querido, te nomineren. Het was een herhaling van de opschudding rondom de Librisprijs 1996, toen er bij de laatste selectie vier Querido-auteurs zaten (onder wie Bernlef en Lieske), en toen Reinjan Mulder in deze krant de behoudzucht van de jury en de kneuterigheid van de Querido-stal hekelde: `Bij Querido houden ze van naar binnen gekeerde boeken, niet te pretentieus, waarin vooral een grote liefde voor het detail naar voren moet komen. [...] Waar het om baanbrekende inzichten gaat, zijn het ontdekkingen van het slag dat ,,alles om ons heen gekleurd'' is. [...] De grootste opwinding lijkt te worden veroorzaakt door ,,de komma bij Krol'', zoals een bundel van [toenmalig juylid] Tom van Deel ooit heette.'

Ook de jury van 2001, met een gemiddelde leeftijd van boven de vijftig, houdt van naar binnen gekeerde boeken zonder al te veel pretenties. Maar wat waren de alternatieven? 2000 was niet het jaar van één enkele uitschieter, zoals 1999 (Thomas Rosenbooms Publieke werken) of 1997 (J.J. Voskuils Plankton); het was zelfs een tamelijk mager jaar. Arnon Grunberg bouwde als een van de weinige gevestigde schrijvers aan zijn reputatie met het geestige en stilistisch originele Fantoompijn, en maakt dus ten onrechte geen kans op de ton van de Libris. En Kees van Beijnum schreef met De oesters van Nam Kee een overrompelende liefdesroman die jammer genoeg ook niet verder dan de longlist kwam. Je kunt beweren dat Geheime kamers van Jeroen Brouwers op de lijst had gemoeten, of De vitalist van Gerrit Krol (overigens ook verschenen bij Querido), of een van de aan het begin van dit stuk genoemde debuten. Maar op Lieske na is de selectie ten minste te verdedigen.

Het probleem zit 'm niet in de shortlist, en niet in de jury (die in haar rapport overigens rept van `een rijke oogst in het jaar 2000'), maar in de Nederlandse literatuur. Wat onze romans missen – en de Librislijst is daar de ideale illustratie van – is noch het straatrumoer waar sinds de jaren tachtig om geroepen wordt, noch het multiculturele perspectief dat Anil Ramdas een paar jaar geleden eiste. Het is wat de Amerikanen `voice' noemen: een uitgesproken stem die bulkend van het enthousiasme de lezer op sleeptouw neemt. Nederlandse schrijvers excelleren in de `objectieve' roman, het verhaal in de derde persoon enkelvoud of met een boekig schrijvende ik-figuur als spreekbuis. Het zijn de precieuze formuleringen die tellen, de mooie zin en de goed gevonden metafoor; het ideaal is stille-binnenkamertjesproza, in plaats van de dagelijkse spreektaal die een personage zo mooi kan definiëren. Dun gezaaid zijn de schrijvers die een overtuigende passage in streektaal, stadsdialect, Surinaams-Nederlands, bargoens of ander specifiek jargon weten te schrijven – laat staan een heel boek.

Je kunt dan ook alleen maar jaloers kijken naar een literatuur als de Amerikaanse, waarin de `vernacular', de spreektaal van alledag, tot in de perfectie ontwikkeld is. Kunst! zullen de kenners zeggen: de Amerikanen hadden al in 1885 Huckleberry Finn, het volledig in dialect geschreven boek van Mark Twain dat volgens Ernest Hemingway aan de basis stond van de hele Amerikaanse literatuur (`There was nothing before. There has been nothing as good since'). Schrijvers als William Faulkner (As I Lay Dying), Ralph Waldo Ellison (Invisible Man), Saul Bellow (The Adventures of Augie March) en J.D. Salinger (The Catcher in the Rye) konden voortborduren op het literaire wondermiddel dat Twain op de roman had losgelaten: de overrompelende ik-figuur die zich in zijn eigen taaltje een weg baant door zijn levensverhaal.

Maar eigenlijk is het verbazingwekkend dat de Nederlandse literatuur nooit op enige schaal een fatsoenlijke spreektaal heeft ontwikkeld. Want al in 1869 gaf Multatuli een veelbelovende aanzet met de monologen van Batavus Droogstoppel die de eerste helft van Max Havelaar tot een feest maken. Hoe karikaturaal de makelaar in koffie (`op de Lauriergracht, no. 37') ook overkomt, hij is een personage van vlees en bloed dat je van vanaf de eerste bladzijde de roman in trekt, met een voice die uit duizenden herkenbaar is. Dialect bezigt Droogstoppel niet; dat past niet bij zijn stand, en bovendien, ook zijn schepper was daar niet voor geporteerd (Idee 41: `Ik leg my toe op 't schrijven van levend Hollands, maar ik heb schoolgegaan'). Maar met zijn consequent volgehouden idiolect is hij de voorloper van latere literaire helden als Frans Laarmans (Kaas), Ik Jan Cremer, de `ik' uit Turks Fruit, Arnon uit Blauwe Maandagen, Berry uit De oesters van Nam Kee, en zeer recent de hoofdpersoon uit Het schnitzelparadijs van de Marokkaans-Nederlandse debutant Khalid Boudou.

Ik maak me sterk dat de romans met een uit het leven gegrepen `stem' nog geen halve boekenplank beslaan. Er is niets tegen het beschaafde, bespiegelende en veilige proza van hofleverancier Querido, maar het zou doodzonde zijn als het in de literatuur een monopolie houdt. Waar blijven de Hollandse Mark Twains die daar verandering in brengen? Het vaderlandse film- en televisiedrama, in de jaren zestig en zeventig nog berucht om zijn krakkemikkige dialogen, heeft de afgelopen jaren bewezen dat natuurlijke spreektaal geen utopie is. De taalkunde heeft ons onlangs verblijd met het vuistdikke handboek Onze Nederlandse spreektaal (Jelle de Vries, Sdu Uitgevers), met duizenden voorbeeldzinnetjes uit het dagelijks spraakgebruik (Woont-ie d'r allang? Vin-je-n-`m mooi? Busje komt zo! Hebbes!). Nederlandse schrijvers hebben eigenlijk geen excuus meer; bovendien: wie zijn oor te luisteren legt, heeft binnen een mum van tijd de goede toon te pakken.

Terug naar de Librislijst. In Boy van Bernlef citeert een bijna-blinde pensionhouder tijdens een storm op Long Island een beroemde regel uit Macbeth: `It is a tale told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing.' Shakespeare doelde op het leven, de hotelier heeft het over de wind, en Bernlef gebruikt het citaat als commentaar op het mysterie dat zijn hoofdpersoon moet oplossen. Maar Macbeths uitspraak, die het motto is van William Faulkners beroemde roman-in-spreektaal The Sound and the Fury (1929), geeft ook goed de houding weer van de gemiddelde Nederlandse schrijver. Net als de jury van de Libris Literatuurprijs 2001 is die bang voor het geraas en gebral dat je krijgt als je een figuur uit de marge het woord geeft in een roman; het zou eens niets kunnen betekenen. Maar zonder de stem van die idioten, die schoffies, die lawaaischoppers, die woordkramers van vlees en bloed, is het in de literatuur een dooie boel. En wie zou durven beweren dat Huck Finn of Holden Caulfield niets te melden hebben?

Literaire tradities ontwikkelen zich langzaam. Het zal niet gauw gebeuren dat een Librisjury een shortlist bekend maakt waarop vijf van de zes boeken geschreven zijn in de eerste persoon enkelvoud en in de taal van de outsider; en dat is maar goed ook, want de kracht van een nationale literatuur ligt in de variatie. Ik gun Erwin Mortier zondag de honderdduizend gulden van harte, maar het zou mooi zijn als zijn concurrenten bij een volgende gelegenheid niet Toon Tellegen of J. Bernlef zijn, maar de achterneefjes van Multatuli en Jan Wolkers.