Regeren is een plicht

Als het van de bevolking afhangt, zal de monarchie in België voorlopig geen plaats maken voor een republiek. Bij de dood van koning Boudewijn in 1993 gaven grote massa's dagenlang uiting aan hun droefheid. Uit een enquête van vijf jaar geleden, tijdens de Dutroux-crisis, bleek dat zeventig procent van de ondervraagden een veel groter vertrouwen had in de koning dan in de regering.

In werkelijkheid beschikt de Belgische koning over weinig macht. En in het vooruitzicht staat hoegenaamd geen koninklijk regime, veeleer een verdere uitholling van het koninklijke ambt. Ooit had de Belgische koning wel een aanzienlijke macht. Dat blijkt nog een keer uit België en zijn koningen van Mark van den Wijngaert. Deze historicus publiceerde met O dierbaar België al eerder een boek over de wisselwerking tussen de grondwet en de politieke praktijk in België. Zijn nieuwe boek onderzoekt de invloed van het staatshoofd op 170 jaar Belgische politiek. Een niet te onderschatten karwei, waarvoor hij zich heeft laten bijstaan door twee jonge geschiedkundigen, Dana Brants en Lieve Beullens.

De schrijver staat niet bekend als een monarchist, maar dit boek ziet hij als een geschiedkundig resumé, en niet als een pleidooi voor of tegen. Het is daardoor een redelijk vriendelijk boek geworden, dat niet per se op zoek gaat naar alle donkerbruine kantjes van 170 jaar monarchie. De hoofdstukken behandelen de feitelijke macht van de opeenvolgende koningen, hun relatie met de politieke wereld en hun positie in de communautaire strijd. Van den Wijngaert schrijft toegankelijk. Hij slaagt er bovendien in ook de jongste literatuur over de geschiedenis van België te verwerken, niet alleen qua feiten, maar ook qua strekking.

Voorrechten

Als grondwethistoricus is Van den Wijngaert goed geplaatst. De macht van de Belgische koning is bij de stichting van het koninkrijk in 1831 beperkt door de grondwet. De koning kan uitsluitend een publieke daad stellen wanneer hij gedekt is door een minister. In twee situaties handelt hij buiten de ministeriële verantwoordelijkheid. De koning heeft de keuze om het ontslag van een kabinet te aanvaarden of in beraad te houden. En wanneer een nieuwe regering gevormd moet worden, duidt hij op eigen inzicht de formateur aan en daarmee doorgaans ook de regeringsleider. Veel verschilt dat niet van wat de grondwet voorschrijft in andere hedendaagse, westerse monarchieën.

Van begin af aan hebben de monarchen gepoogd hun grondwettelijke beperktheid te overstijgen. Een sleutelrol daarin speelden de zogenaamde prerogatieven. Daarmee werden bepaalde voorrechten van bemoeienis bedoeld. De eerste koning, Leopold I (1831-1865), zag buitenlandse politiek en defensie als zijn domeinen. Geen politicus immers had vergelijkbare internationale relaties en inzake militaire strategie had hij van niemand iets te leren. Hij had als generaal gediend in het leger van de tsaar en was de weduwnaar van de Britse kroonprinses. Bij Leopold I ging het om het principe: de koning heerst. En dat hield een plicht in. Heersen is regeren, vond hij. Toch bleef zijn `sentiment du devoir' egocentrisch gericht, iets van `ik regeer, omdat het mijn en alleen mijn plicht is.'

Merkwaardig is dat Leopold weinig tegenwerking ondervond van de politici. Zo ontstond een traditie, die echter steeds minder geaccepteerd werd naarmate de politieke elite volwassen werd. Zo verloopt de geschiedenis van de Belgische monarchie over een reeks nijdige conflicten. De beruchte koningskwestie na afloop van de Tweede Wereldoorlog, het gedwongen aftreden van Leopold III, kwam dus niet uit het niets: het tijdsgewricht eiste een definitieve ontknoping in het voordeel van de politiek.

Een vroeger cruciaal moment binnen die evolutie is het aantreden van de derde koning, Albert I (1909-1934). Albert is, net als zijn grootvader Leopold I, heel actief in het bestuur van het land. Maar hij stelt zich niet langer op tegenover de politieke wereld – hij staat temidden van de politici. Onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog forceert hij de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht. Zelf is hij nochtans geen groot voorstander, onder meer vanwege de ongeletterdheid van een deel van de bevolking. Maar hij beseft dat België niet anders meer kan dan iedereen een gelijke stem te geven.

Zijn opvolger Leopold III (1934-1951) was daar mentaal nog niet aangeland. Hij huldigt dezelfde prioriteiten als zijn vader, is vervuld van dezelfde humanitaire motieven. Maar zonder het zelf aan te voelen zet hij net dat kleine stapje te veel terug. Voor Albert was politiek de kunst van het haalbare. Leopold was zo overtuigd van zijn gelijk tegenover de politieke klasse dat hij altijd zijn slag thuis wou halen. Daar was het nochtans de tijd niet meer naar.

De nederlaag van Leopold III heeft de monarch gedwongen voortaan zijn functie te vervullen op een strikt grondwettelijk niveau. Koning Boudewijn (1951-1993) had tijd nodig om te wennen aan die situatie. Tot een stuk in de jaren zeventig was hij een afwezige vorst die in het openbaar weinig anders ter sprake kwam dan als een voorwerp van spot, hij was overbodig en onhandig.

Met de jaren groeide zijn zelfvertrouwen, daarin geholpen door periodes van politieke instabiliteit en machteloosheid. Gaandeweg heeft hij dan aan zijn functie een nieuwe betekenis verleend. Hij heeft ze bekleed met het gezag van een priester-koning, een aards evenbeeld van een god die nu niet ingrijpt, maar door tekenen en woorden bij tijden te verstaan geeft dat hij solidair is met de verdrukten en die de schuldigen terechtwijst. Volgens Van den Wijngaert heeft dit een overschatting van de koninklijke macht in de hand gewerkt. Er ontstond de indruk van een vader die de bevoegdheid had om te vermanen en dus borg stond voor een finale rechtvaardigheid.

Rhodesië

De beperking van de koninklijke rol heeft de conflicten niet totaal uitgebannen. Want de koning blijft ook vandaag streven naar persoonlijke invloed. Boudewijn kon nog bereiken dat een samenwonende politica van de Parti Socialiste huwde alvorens ze lid werd van de uitvoerende macht. Een enkele keer heeft hij de benoeming van een minister geweigerd, bij voorbeeld omdat de kandidaat sympathiseerde met het blanke regime in Rhodesië. De koning streeft echter vooral naar invloed door kennis. De vorst geldt als de best geïnformeerde Belg. Met die bagage bespreekt hij wekelijks de actualiteit met de premier. En het spreekt vanzelf dat hier tot op zekere hoogte sprake is van een wisselwerking. Zo werkte koning Boudewijn graag samen met Wilfried Martens.

Albert II probeert de nieuwe maatschappelijke rol van de koning verder te zetten. Hij beseft dat hij wellicht nooit het prestige van zijn broer zal kunnen evenaren. Daarentegen scoort hij waarschijnlijk beter als bindmiddel tussen de verschillende gemeenschappen. Van Boudewijn had men nog de indruk dat hij een gewilliger oor had voor Franstaligen. Albert promoot nadrukkelijk een federale burgerzin, zoals hij dat zelf noemt. Hij ontvangt ministers van de deelregeringen, woont de feesten van de gemeenschappen bij en zingt ongecompliceerd regionale hymnen mee.

Door de opvolging van de vrome Boudewijn door zijn gulle broer is het imago van het Belgisch vorstenhuis veranderd. Vooral sinds het huwelijk van kroonprins Filip en de zwangerschap van prinses Mathilde is het bovendien vaker onder de aandacht gekomen van de populaire media. Daar is het zelf niet verantwoordelijk voor, maar die RTL-isering heeft beslist andermaal gematigde monarchisten in het republikeinse kamp geduwd. Want kunnen staatshoofden met minder inhoud en meer media-aandacht het prestige van hun voorgangers op een andere manier najagen dan door populistisch vertoon? Daarom doet de zevende koning van België er wellicht het beste aan zich nog strikter te beperken tot zijn institutionele rol.

Van den Wijngaert maakt in zijn boek geen plaats voor een dergelijke conclusie. Dat zou het doel van zijn boek voorbijschieten. Maar in een interview met de Belgische krant De Morgen naar aanleiding van de publicatie laat hij verstaan dat de koning in elk conflict met de regering per definitie in de fout gaat. Hij heeft liever geen koning dan één die de grondwet overtreedt.

Mark van den Wijngaert: Lieve Beullens, Dana Brants: België en zijn koningen. Monarchie en macht. Houtekiet, 415 blz. ƒ49,50

Kop pagina: Landsbestuur