Over het graf heen

Jean Rouaud schreef een serie romans over de geschiedenis van zijn familie. ,,Om over mijn vaders dood te vertellen, moest ik de hele twintigste eeuw beschrijven.'

Jean Rouaud heeft het uiterlijk van de eeuwige student, een vriendelijke, onderzoekende oogopslag, de onzekere houding van een beoefenaar van twaalf ambachten en dertien ongelukken en de glimlach van iemand die zich ervoor verontschuldigt zoveel aandacht te trekken: ,,Komt u speciaal voor mij? Je suis flatté, touché et ravi.' Zijn gekreukelde regenjas houdt hij aan in de chique ovaalvormige zaal die zijn nieuwe uitgeverij, Gallimard, ons ter beschikking heeft gesteld. ,,Wat een prachtige ruimte, ik moet dit uitgevershuis nog helemaal ontdekken.'

Elf jaar geleden veranderde het leven van Rouaud (1952) radicaal. De toenmalige krantenverkoper in een Parijse kiosk won met zijn debuutroman De velden van eer (Les champs d'honneur) Frankrijks meest prestigieuze literaire prijs, de prix Goncourt, waarna hij op veler uitnodiging de wereld rondreisde. Vanuit Montpellier, waar hij met vrouw en dochter woont, reisde hij even naar Parijs voor de promotie van zijn nieuwe boek, La désincarnation, een verzameling essayistische teksten over literatuur, schrijverschap en godsdienst, die de afgelopen twee jaar verschenen in dagblad L'Humanité. Een reprise van zijn toneelstuk Les très riches heures wordt komende zomer gespeeld tijdens het Festival van Avignon en later dit jaar zendt de Franse televisie zijn `poëtische documentaire' uit over de menhirs van Carnac (Bretagne).

Op 17 mei is Rouaud in Amsterdam, ter ere van de vertaling van In de hemel zoals op aarde, de vijfde en laatste in de bejubelde familiekroniek waarmee Rouaud zijn reputatie vestigde: een cyclus die een magistrale, alternatieve geschiedenis van Frankrijk vormt, uitgaande van Rouauds familie en zijn geboortestreek, de Loire-Inférieure, het gebied aan de monding van de Loire, tussen Nantes en Saint-Nazaire. Het vijfluik is een historisch epos, geschreven aan de hand van het leven van Rouauds voorouders, die allen in die contreien werden geboren, er woonden en er stierven. Een hele eeuw van leven en werken in die kuststreek legt Rouaud bloot: van het klimaat (mist en regen) tot de geschiedenis (twee wereldoorlogen), van rondtrekkende handelaren (zijn vader was vertegenwoordiger in serviesgoed) tot plaatselijke toneelinitiatieven, van de eerste automobielen (de 2CV van zijn grootvader) tot de ingrijpende herverkaveling van het platteland.

Wie meent dat dit een weinig originele invalshoek is voor een epos, dat dit bijzonder doet denken aan een provinciale `littérature de terroire' of een weinig opmerkelijk `Blut und Boden'-achtig schrijverschap, neme één van Rouauds romans ter hand. Zijn stijl is uit duizenden te herkennen: zijn zinnen (wederom uitstekend vertaald door Marianne Kaas) zijn vaak lang en meanderend, zijn gedachten en overpeinzingen verhalend, poëtisch of ironisch. Zijn portretten baseerde hij op brieven, foto's, documenten en soms op persoonlijke getuigenissen. Terwijl Rouaud in zijn eerste romans nog vaak de wat afstandelijker u-vorm hanteerde, ging hij in zijn recentere werk af en toe over op de ik-vorm. Het gaf hem meer armslag voor zijn reflecties over de werking van het geheugen, de onbetrouwbaarheid van de herinnering of de ongrijpbaarheid van een voorbije werkelijkheid.

Dood

Zelf duidt Rouaud zijn vijfluik het liefst aan als een `livre des origines'. Rouaud: ,,Ik wilde in eerste instantie geen familiekroniek schrijven, maar antwoord geven op de vraag: Waarom is het zo moeilijk om te leven? Hoe sta ik in verhouding tot de wereld? Dan begin je met je af te vragen waar je uit voortkomt, wat je hebt geërfd en wat daaruit blijkt. Je begint te zoeken bij de meest dramatische gebeurtenis: dat was voor mij de dood van mijn vader, toen ik elf was. Daarom begint mijn cyclus over de dood bij hem. Je wordt geconfronteerd met een sociale realiteit: mijn vader hoorde tot een milieu, had een beroep, leefde in een streek met een bepaald klimaat. Je komt terecht in een mentaliteitsgeschiedenis. Je blijkt niet alleen de zoon van je vader. Je draagt in feite de hele geschiedenis van Frankrijk mee op je rug. Mijn grootouders hadden de Eerste Wereldoorlog meegemaakt, mijn ouders de Tweede, mijn vader had in het verzet gezeten. Om te kunnen vertellen waarom de dood van mijn vader zo traumatisch was, moest ik de hele twintigste eeuw beschrijven.'

Na de dood van zijn vader, een groot stenenverzamelaar van wie Rouaud zijn voorliefde voor megalieten heeft geërfd, bezocht hij diens graf dagelijks en voerde zonder gêne gesprekken met hem. Hij is duidelijk vertrouwd met de dood, een habitué van begraafplaatsen. Rouaud: ,,Als jongetje werd ik geobsedeerd door het idee dat iedere generatie haar oorlog had. Toen ik geboren werd was de vorige net zeven jaar voorbij. In korte tijd verloor ik drie dierbaren (vader, grootvader en een oudtante, md) – en daarmee mijn kinderlijke onschuld. Eerst heb je veel verdriet. Daarna lijkt het alsof je de doden niet zo erg mist. Pas dan valt je op dat niets meer is zoals het was. De eerste keer dat dat bleek was bij een voetbaltraining bij de plaatselijke voetbalclub. Alle vaders stonden langs de lijn, behalve die van mij. Je trekt je in jezelf terug. C'était foutu, alles ging mis, ik kon niet integreren in een groep, en zo meer. Tegelijkertijd cultiveerde ik dat verschil: ik wist meer van de dood dan anderen. Met schrijven ben ik in die tijd begonnen. Op mijn tweeëndertigste begon ik aan wat De velden van eer is geworden. Eerst wilde ik geen roman schrijven, omdat ik dan te direct met het verleden geconfronteerd zou worden – dat had ik verdrongen. Onverdraaglijk daarover te schrijven. Tegelijkertijd was dat het enige verhaal dat ik te vertellen had.'

Na zijn studie letteren volgde een tijd van twaalf ambachten, dertien ongelukken. ,,De tijd verschafte me een alibi', zegt Rouaud alsof hij behoefte voelt zich te rechtvaardigen, ,,in die vrije jaren zeventig was werk weigeren heel gewoon en de vaderlijke autoriteit was voor mij toch al weggevallen. Ik raakte, eerst zonder het te beseffen, in de marginaliteit. Keek op mijn vijfentwintigste soeverein neer op vrienden die ingenieur werden. Had kleine baantjes en voelde me vrij. Maar kranten verkopen op je vijfendertigste – dat is niet bepaald de droom van je leven. Ik zag nog maar één redding: die van het schrijverschap. Ik ben gaan schrijven, wilde me bewijzen, erkend worden. Ik had een echte désir d'auteur. Of dat nu was om de leegte van de vader te compenseren of om mijn leven, als auteur, in eigen hand te nemen – ik weet het nog steeds niet. Publiceren om te publiceren interesseerde me niet. Ik had ook niet door willekeurig iedere uitgever uitgegeven willen worden. Een paar dagen geleden heb ik het mezelf voor het eerst toegegeven: ik schrijf omdat ik van iedereen wil horen hoe fantastisch ik schrijf.'

Lyriek

Feit is dat Rouauds stijl een bijzondere combinatie is van lyriek en realisme, van verhalend schrijven en van poëzie. Hoe is die tot stand gekomen? Rouaud: ,,Mijn generatie groeide op met het einde der ideologieën, met de nouveau roman, met de literaire theorieën van het structuralisme, waarbij het verhaal, het personage en het gevoel in de ban werden gedaan. Roland Barthes (schrijver, criticus, semioloog, md) verkondigde de dood van de auteur. Wat overbleef was de tekst, het avontuur van de zin. Mijn generatie moest de roman opnieuw uitvinden – en dat hebben we gedaan: de roman als vrijheid van geest, als verzet tegen het totalitarisme. Denk aan Solzjenitsyn. Hij bewees dat de roman een machtig genre was, in staat grote politieke machines tegen te houden. Nog steeds is vorm voor mij betekenis: de roman moet een verhaal vertellen en mag niet breken met de wereld.'

In La désincarnation vertelt Rouaud hoe Flaubert van zijn vriend Maxime Du Camp het advies kreeg om zijn poëtische manier van schrijven op te geven: het realisme van Balzac was in de mode en als Flaubert carrière wilde maken moest hij net zo schrijven als Balzac. Geen poëtisch geleuter. Rouaud: ,,Er is altijd een genre dat domineert en dan heb je geen keus, je moet zelf een ander verzinnen. In de tijd van Balzac was toneel populair en hij verzon toen de realistische roman, de roman waarin de auteur helemaal afwezig is. Het tegenovergestelde daarvan vind je bij Chateaubriand: die zit helemaal in zijn werk – dat vind ik een genot. De vraag van Flaubert – hoe te schrijven in het postpoëtische tijdperk – is nog steeds actueel. In wezen wil ik memoires van over het graf schrijven, net als Chateaubriand.'

Dat is dan ook precies wat Rouaud doet. Over het graf van zijn voorouders heen, schetst hij de sfeer waarin zij leefden, de geschiedenis van hun streek: soms passeren op één pagina het jansenisme, het rooms-katholicisme, de contra-reformatie, de Chouans (koningsgezinde opstandelingen tegen de Republiek), abbé Rancé en Chateaubriand. Rouaud: ,,Dat compacte heb ik ingeprent gekregen door die platen die op school hingen: het wezen van de Franse kaas, de belangrijkste industrieën, Franse auto's. Mijn vader verkocht ook van dat soort affiches, met taferelen uit de bijbel: stenigingen, gedoemden in de hel, de verschijning van de aartsengel Gabriël – de een nog verschrikkelijker dan de ander. Ik heb er nog een paar thuis. De hele streek ging gebukt onder angst voor de zonde, onder het taboe van het lichaam: seksualiteit, tederheid bestond niet. Op school lazen we niets anders dan de bijbel, alle evangeliën. Mijn hele verbeeldingswereld is gevormd door het christendom, mijn taal is erdoor gestructureerd. Er kwamen priesters langs die vroegen wat je wilde worden: missionaris, priester, monnik of broeder. Wie niet naar de kerk ging, werd met de vinger nagewezen. Een arts uit ons dorp had besloten zijn kinderen naar de openbare school te sturen. Van de ene op de andere dag waren er geen zieken meer in het dorp, zijn wachtkamer bleef leeg. Het was mijn vader die erin slaagde de mensen van gedachten te doen veranderen. Pas in de loop van de jaren zestig is die mentaliteit veranderd.'

Alleen al bij de herinnering aan die tijd begint Rouaud te zuchten en wordt zijn rug krom, `terrifiant', mompelt hij. Dan: ,,Ik heb van het einde van die wereld willen getuigen – tegen de tijdgeest in. Het was toen niet modern om over religie te schrijven, eerder een teken van achterlijkheid. De wereld was atheïstisch geworden, materialistisch en marxistisch. En toch wilde ik erover praten, het is een wereld die nu niet meer bestaat. De officiële geschiedschrijvingen reppen er niet van. De macht van de literatuur stelde mij in staat een parallelle geschiedenis te schrijven. Als ik het niet had gedaan, had niemand het meer over die tijd gehad, daar ben ik zeker van. Nu zijn er mensen die die streek gaan bezoeken.'

Moed der wanhoop

In Voor al uw geschenken portretteerde Rouaud zijn moeder, die, met de moed der wanhoop, een dorpswinkel dreef waar de meest uiteenlopende dingen te koop waren. Maison Rouaud – pour vos cadeaux, was de leus. In In de hemel zoals op aarde laat Rouaud niet alleen zijn overleden moeder aan het woord, die hem, in de ik-persoon, tegenspreekt en corrigeert, maar ook allerlei andere kennissen en lezers die op zijn eerdere boeken reageerden. Een ongebruikelijke vorm voor een roman. Rouaud: ,,Na de dood van mijn moeder vertelden haar klanten me ineens wat ze over me zei, wat ze van mijn boeken vond. Ik kreeg haar woord als het ware over het graf heen.' Toch beseft Rouaud dat hij ondanks al zijn pogingen zijn moeder in taal te vatten, haar eigen, specifieke, dagelijkse waarheid nooit zal kennen. ,,Het leven van mijn moeder hield op op haar éénenveertigste, met de dood van mijn vader. Daarna was er niets meer, hoe ik ook gezocht heb, in documenten, brieven, in getuigenissen van mijn tantes, in foto's. Ze leefde tien jaar in stilte, in het zwart. Ze ging met haar man het graf in en sleepte mij met zich mee: daarom was de dood van mijn vader ook zo traumatisch voor mij.'

Werkelijkheid en herinnering, waarheid en geheugen – het zijn in de literatuur vaak hechte, maar onbetrouwbare bondgenoten. Zo ook bij Rouaud, die er wel van beticht is non-fictie te schrijven. Hij vertelt immers `gewoon' het verhaal van zijn voorouders? Rouaud, verontwaardigd: ,,Als iemand denkt dat je de werkelijkheid beschrijft, gaat het niet meer om fictie – en wordt je schrijven blijkbaar waardeloos. Je moet het geheugen niet beschouwen als een verbatim, een soort opnamestudio, maar als een fiction mouvante – een plek waar je fictie fabriceert, zoals in een droom. Fictie is een andere vorm van rangschikken van alle elementen uit je herinnering. Fictie is een dagdroom.'

Voor de momenteel in Frankrijk zo populaire auto-fiction heeft Rouaud geen goed woord over. Dat gaat niet verder dan een basaal schrijven over wat iemand beleefd, gevoeld of gezien heeft. Wat je in de literatuur nodig hebt is ambitie: je moet een plaats veroveren in het geslacht van literaire voorouders. Rouaud: ,,Faire de la littérature, dat is een uitdrukking van Proust, daar draait het om. Je moet weten wat er vóór jou is geschreven. Alle grote schrijvers hebben altijd eerst hun positie bepaald ten opzichte van hun voorgangers. Als Chateaubriand over mijn schouders meekijkt, wil ik niet dat hij denkt: ach, die arme stakker.'

Van Jean Rouaud verscheen onlangs bij uitgeverij van Oorschot `In de hemel zoals op aarde' (Sur la scène comme au ciel), vertaald door Marianne Kaas. 171 blz. Prijs ƒ49,80 (geb.), paperback f35,25.

Eerder verschenen `De velden van eer', `Illustere voorgangers', `De wereld bij benadering' en `Voor al uw geschenken'.

Op donderdag 17 mei spreekt Jean Rouaud in het Maison Descartes in Amsterdam, Vijzelgracht 2a. 20.00 uur.