Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, viel vaak in slaap na het avondeten. Hij zat rechtop met gesloten ogen in een grote leunstoel met een uitgedoofde sigaar in zijn mond. Mijn moeder die naar de zangvereniging ging, riep dat hij op zijn twee jongste dochters moest passen. Mijn vader knikte en de sigaar wiebelde mee. We gingen bij hem op de leuning zitten en gingen zijn korte haartjes met een poppenkammetje kammen. Mijn vader sloeg zijn armen om ons heen en we hadden het reuze gezellig. We zetten klemmen in zijn haar die mijn moeder altijd gebruikte om mooie slagen in haar haar te maken. En hele kleine ijzeren kruisspeldjes.

Toen zijn hoofd helemaal vol zat maakten we ook nog zijn wenkbrauwen pikzwart met een schoenenborsteltje. Mijn vader merkte niets. Zijn hoofd zakte helemaal naar beneden. Opeens werd er gebeld. Dat was gek. Meestal kwamen de mensen in ons dorp aan de achterdeur.

Dat betekende dat het iemand was die we niet kenden. Mijn vader schoot overeind en deed open. Er stond een man voor de deur. Een keurige man, dat zagen wij vanuit de erker.

,,Is de baas ook thuis', vroeg hij aan mijn vader. Hij keek een beetje angstig naar hem. ,,Ik wilde een huis laten bouwen'. ,,Jazeker', zei mijn vader, ,,dat ben ik. Kom erin man'.

,,Toch maar liever een andere keer,' zei de man. Hij liep hard weg. In de spiegel in de gang zag mijn vader zichzelf. Binnen het halfuur hadden we allebei een pak slaag gekregen.

    • Maria Heiden