Mensen met knoestige namen

In de korte titelbeschouwing van Alles in de wind (1997), een verzameling essays en verhalen, formuleerde Barber van de Pol een soort beginselverklaring, op de haar eigen, wispelturige wijze. Er is niets hogers dan de mens zelf, zo begreep ik daaruit. Zo had zij het ooit geleerd van haar ouders, een nuchtere schippersdochter en een al even nuchtere boerenzoon en zo wilde ze het ook houden. `Iedereen wil altijd meer', verzuchtte ze. Zelf geloofde ze alleen in het zwarte gat en de oerexplosie. Ze keurde het niet af om weg te dromen, desnoods over prinsen op witte paarden, maar vond ook dat elk mens, klein of groot, op eigen kracht moest proberen hoofd en hart met elkaar in het reine te brengen. `Ik bewonder kinderen bovenmate', schreef ze, `om het gevecht dat hun hoogstpersoonlijke verstand levert met hun gevoel. Ze lijden, wat dacht je, maar ze houden stand en soms worden het dankzij datzelfde verstand geen kliertjes of kruipers.'

Over zo'n kind, met verantwoordelijkheidsbesef en dus in hevig gevecht met zichzelf, gaat het in Kriblijn, haar tweede roman. Er komen ook veel andere mensen in voor, maar zij, Paula, wordt met speciale aandacht gevolgd. Eerst is er haar jeugd in Rhenen (bekend van de Grebbeberg en Ouwehands Dierenpark), waar zij met haar ouders en broer van het schip naar de wal zal verhuizen, naar de Paalweg om precies te zijn, vervolgens is er haar ontluikende dichterschap in Amsterdam en tenslotte woont ze in Parijs, waar ze op 54-jarige leeftijd sterft, mogelijk als gevolg van te veel slaappillen. Daarnaast is er haar nicht Astrid, die, zwanger en wel, en bijgestaan door vriend Jacob, in het reine probeert te komen met de dood van haar tante, die jarenlang voor haar heeft gezorgd.

Kriblijn gaat over verhoudingen, stuk voor stuk moeizame verhoudingen tussen tante en nicht, moeder en dochter, broer en zus, man en vrouw en niet in de laatste plaats tussen een beeldend kunstenaar en een dichteres. Net als in Van de Pols eerste roman, Er was wat met Meneer Maker & Mevrouw Maker (1998), zien wij hoe een relatie danig op de proef wordt gesteld door creatieve wedijver. En wederom is het de man, stikjaloers, die zijn vrouw het scheppen onmogelijk probeert te maken door een enorme bemoeizucht aan de ene en botte onverschilligheid aan de andere kant. Paula krijgt het verwijt, net als mevrouw Maker met wie zij wel meer gemeen heeft, dat zij te veel denkt, te veel ideeën heeft. Zij moet gewoon dóén, net als hij. Eigenlijk moet zij ook precies zo zíjn als hij. En hij krijgt min of meer zijn zin, want haar dichterschap blijft ergens halverwege steken.

Anders dan in de vorige roman, ligt het perspectief deze keer bij de man. Het is een eigenaardig dubbelperspectief, dat aanvankelijk de nodige verwarring sticht: afwisselend voert hij zichzelf op in de eerste en in de derde persoon, om zodoende boven alle partijen, ook boven zichzelf dus, te kunnen staan. Het moet gezegd dat hij daarbij ook zijn minder prettige eigenschappen goed laat uitkomen.

Ongerichte deeltjes

Toch is het geen erg prettige verteller, deze ghostwriter van Van de Pol, die met enige regelmaat zijn `files' zit bij te werken en `digitaal' ingrijpt als hem dat nodig lijkt. Hij is dan wel in de rouw om Paula, maar is er ook als de kippetjes bij om haar leven, nu het voorbij is, naar zijn hand te zetten, een kriblijn aan te brengen in de ordeloze stroom die het in zijn ogen was. Ook geeft hij haar alsnog zijn achternaam, die zij na hun huwelijk nooit had willen gebruiken. `Bij de dood', peinst hij, als hij haar biografie meent te hebben voltooid en zijn computer uit kan zetten, `valt een bestaan uiteen in ongerichte deeltjes'. Die deeltjes hoopt hij alsnog tot een zinvol en sluitend geheel te hebben gemaakt. IJdele hoop, zo valt te vrezen.

Het getuigt van lef dat Van de Pol het, na de overzichtelijke en erg vriendelijk ontvangen roman over meneer en mevrouw Maker, over een heel andere boeg heeft willen gooien. De huiselijkheid die hoogtij vierde in Er was wat, is hier ver te zoeken. Geen amusant gekissebis deze keer over koffiezetapparaten, over de vraag wie van de twee de auto gaat besturen, over de hinderlijke fluittoon in de nieuwe televisie of over een tube tandpasta die niet rechtop wil blijven staan. In Kriblijn gaat het veel universeler toe. Bij de gewone, dagelijkse beslommeringen staat niemand stil. Steeds als je hoopt nu eindelijk greep op de wispelturige geschiedenis te kunnen krijgen en iets van dichterbij te kunnen zien, wordt er snel weer uitgezoomd. Details worden mondjesmaat verstrekt en zelden is er gelegenheid om nu eens een van de vele gedachten van Paula mee te mogen denken.

Ook zou je graag inzicht krijgen in haar zogenoemde `er is'-filosofie, ontleend aan Lucebert: `er is alles in de wereld het is alles'. Is zij nu de vrouw met hoofd en hart die zij zo graag wil zijn, die de dingen accepteert zoals ze zijn, of moeten we haar man geloven en is zij alleen maar `denk-euforisch', een vrouw van woorden en niet van daden? En slikt ze daarom pillen? Ik zou het niet durven zeggen.

In vogelvlucht wordt van alles en nog wat aangestipt: de oorlog, de brave jaren vijftig, waarin iedereen werkte van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, waarin moeders hun kinderen voor `luiwammes' uitmaakten, de sociale wetgeving van de grond kwam en plastic nog bijna niet bestond. Ook wordt ons een blik vergund in de jaren zestig met de studentenprotesten, waarna we met een sprong in de jaren negentig belanden, waar cyberspace en internet voor iedereen toegankelijk zijn geworden en een jonge, zwangere vrouw kan wensen om `on line' te zijn met het leven, net als haar opgewekte en doelgerichte geliefde.

Abstracties

Het is niet zo dat er in Kriblijn geen mooie of behartenswaardige observaties te vinden zouden zijn over de natuur, het landschap, dieren, de arbeidersklasse, Amsterdam, Parijs, New York of over mensen met knoestige namen als Grada, Gof, Germ, Gonda en Geertje. Integendeel. Het zijn er alleen te veel en ze worden zo haastig en in zo'n willekeurige volgorde verteld, dat ze lang niet altijd een logisch verband met elkaar willen aangaan. Machteloos staan al die mooie observaties te trappelen om aandacht, maar voort gaat de karavaan alweer, op jacht naar nog meer indrukken en overwegingen. Wanhopig lijkt Van de Pol op zoek naar houvast, naar iets dat die hele maalstroom van niet zelden tegenstrijdige waarnemingen, `die kluwen mensen, omstandigheden en gedachten', zoals het ergens heet, met elkaar kan verbinden of verzoenen.

Vooralsnog zullen we het moeten doen met de ietwat lompe tegenstellingen die uit de roman oprijzen, tussen denken en doen, feit en verzinsel, stad en platteland, oude en nieuwe wereld, vroeger en nu, man en vrouw. Van de Pol offert haar hoofdpersoon op aan deze abstracties, zodat zij, het voormalige schipperskind, reddeloos tussen wal en schip belandt.

Barber van de Pol: Kriblijn. Querido, 228 blz. ƒ35,95

Nederlandse literatuur