Melancholie door het raam

Wat doet een schrijver als hij niet schrijft maar wel in zijn schrijfkamer zit? Dat kan van alles en nog wat zijn. Denken, droedels maken, vinger in zijn neus stoppen, vlakgum mishandelen, dwangmatig drop eten, op zijn stoel heen en weer rijden. Over dit soort bezigheden is het een en ander bekend. Gerard Reve heeft erover geschreven, Xavier de Maistre zelfs een boek, Voyage autour de ma chambre. Of naar buiten kijken, gewoon naar buiten kijken. Wat ziet hij dan? Tot voor kort wisten we daar niets over. Nu is er een boek, 100 uitzichten op Amsterdam. (*) Iemand bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst was op het idee gekomen honderd schrijvers te vragen om te beschrijven wat ze zien als ze uit het raam kijken. Precies honderd. Je zou je kunnen afvragen of Amsterdam honderd schrijvers heeft, of misschien meer, en dan, of die andere geen uitzicht hebben dat het beschrijven waard is, of dat ze door de redactie zijn overgeslagen, en hoe ze dat vinden. Maar als je eenmaal bent gaan lezen, vergeet je die spijkers op laag water.

In de verte doet deze lectuur denken aan wat Hitchcock's film Rear Window te zien geeft. Men is de voyeur van de voyeur, bespiedt de kijker. James Stewart speelde een fotograaf die zijn been had gebroken. Terwijl hij aan het genezen was, keek hij door zijn telelens naar het doen en laten van de achterburen, ontdekte iemand die nadrukkelijk een groot keukenmes stond te slijpen, en daarmee is het begin van de verwikkelingen gegeven. In deze verzameling van honderd uitzichten treffen we geen schrijver aan die een verrekijker hanteert. Robert Anker noemt zijn bijdrage Rear Window, maar vertelt alleen iets over de klappende eksters die hij waarneemt. Adriaan van Dis betrapt verdachte mensen die uit en in zwarte Mercedessen en een Bentley stappen, maar verzuimt de achtervolging in te zetten. Schrijver dezes heeft het uitzicht op het dak van het gebouw waar vroeger het Algemeen Handelsblad was, en mijmert wat over de oude loodzetterij en de geuren van zware shag en geschroeid papier.

Ja, bij veel schrijvers welt de melancholie op als ze uit het raam kijken. A la recherche du temps perdu. Anna Enquist heeft drie uitzichten waarvan er één binnenkort zal verdwijnen. `Op de tekentafels van het wijkteam groeien nieuwe paden als zenuwuitlopers tussen nog op te richten paviljoenen en parkeerplaatsen. Alles zal mij worden afgenomen. De dood is een bitse werkster die een vergeten kast opruimt.' Een prachtige zin. Die grift zich vanzelf in je geheugen. In het uitzicht van Carl Friedman woont aan de overkant `een bejaarde man. Iedere ochtend nemen wij, als bij afspraak, onze stellingen in'. Dan komen de spreeuwen om met duizenden tegelijk hun geweldig luchtspektakel uit te voeren. Het doet de schrijfster denken aan de massale gymnastiekoefeningen `waarop Stalin en Mao zich lieten tracteren'. De oude man en Friedman `heffen simultaan het hoofd'. En als de vogels zijn vertrokken `kijken we weer recht vooruit. Naar elkaar.'

Er is ook wel actie. Dirk van Weelden wordt bijna de hersens ingeslagen door een buitenlander die hij niet begrijpt. Bij Carolijn Visser steken junks een spuit in arm of been. Maar overwegend is het uitzicht ingetogen, gesluierd, met in de hoeken wat spinrag van heimwee. Waar doet het aan denken? Ik wist zeker dat ik zo'n verzameling eerder had gezien.

Aha! De foto's van Jacob Olie. Hij heeft in de Huidekoperstraat 19 gewoond en daar in 1901 zijn uitzicht op het Westeinde vastgelegd. In de linkerbovenhoek van zijn gezichtsveld was de koepel van het Paleis voor Volksvlijt, verder naar rechts een van de uiteinden van de U-vormige constructie die het Paleis omsloot, een statig poortgebouw, een van de twee toegangen tot de Galerij en op de voorgrond de zinken daken van de overburen. Ik keek verder in Olie. Al die foto's hebben twee kenmerken. Er beweegt niets. Ook als er mensen op staan, lijkt het alsof ze betoverd zijn door een middel dat in sprookjes door heksen wordt gebruikt. En over het beeld hangt de lichte nevel van het voorbij-zijn. Dat kon Olie niet helpen. Het ligt aan de stand van de fotografische techniek in zijn tijd. Maar ons geeft het de overtuiging dat we niet naar, maar in het ongrijpbaar geworden verleden kijken. `Een kuil om snikkend in te vallen,' heeft Rudy Kousbroek geschreven. De bitse werkster die de vergeten kast lang geleden heeft opgeruimd – maar er bestaat nog een foto van. Van de honderd schrijvers in deze verzameling, hebben er negentig in woorden Jacob Olie gevolgd.

100 uitzichten op Amsterdam, onder redactie van Kester Freriks, Esther Jansma en Xandra Schutte. Meulenhoff, Amsterdam.