Je maten zijn en blijven je maten

Er zijn regels waar je je gewoon aan hebt te houden. De belangrijkste is natuurlijk `Altijd je maten steunen', maar bijvoorbeeld `Nooit iemand verklikken, vriend noch vijand' en `Nooit vrouwen slaan' zijn ook essentieel om de boel bij elkaar te houden, tenminste, als je een jonge Schotse man uit de verpauperde voorsteden bent. Jonge Schotse mannen hebben geen vrienden, ze hebben `maten'. En het dondert niet of die langzaam maar zeker veranderen in junkies, criminelen of arrogante hufters, of zelfs een ander voetbalteam steunen, je maten zijn je maten, en die blijf je trouw door dik en dun.

Dit is kort samengevat het wereldbeeld van de vier hoofdpersonen uit Glue, de nieuwe roman van Irvine Welsh. Het boek, zijn eerste sinds Filth (1998), is ambitieuzer van opzet, en dikker, dan zijn voorgaande romans. Glue volgt de levens van Terry Lawson, Carl Ewart, Billy Birrell en Andrew Galloway, vier jongens uit Edinburgh, over een periode van dertig jaar, en doet dat in vier chronologisch geordende delen – 1970, 1980, 1990, 2000 – met een tamelijk ingewikkelde vertelstructuur en veel perspectiefwisselingen.

Belangrijker dan de vier individuen is voor Welsh wat de jongens bindt, zoals zijn titel, Glue, al aangeeft. Welsh citeert als motto een woordenboekdefinitie: `an impure gelatine got by boiling animal refuse, used as an adhesive'. Samenhang en loyaliteit dus, niet ondanks, maar dankzij de rotzooi in het leven van de vier vrienden. Het voornaamste bestanddeel van de sociale glue die ze bijeen houdt, is echter een even onwrikbaar als beperkend ethos dat samengevat kan worden in de `tien geboden' die Carls vader zijn zoon altijd inpeperde. Naast de al eerder genoemde regels bevatten die onder andere: `Laat nooit je collega's vallen', `Wees geen stakingsbreker', `Vertel niets tegen de smerissen', `Laat nooit een week voorbijgaan zonder in nieuw vinyl te investeren.' Behalve de informatie dat je ze nooit mag slaan hebben de regels weinig zinnigs te melden over hoe je met vrouwen om moet gaan; voetbal, bier en vechtpartijen zijn dan ook veel belangrijker.

De emotioneel gemankeerde, nooit echt volwassen wordende mannen die deze machocultuur voortbrengt, vormen een centraal thema in het werk van veel andere Schotse schrijvers, zoals James Kelman en John Burnside. Welsh zelf voerde al in Trainspottting (1993) een paar onvergetelijke exemplaren op. Maar in Glue pakt hij het systematischer aan.

Met het eerste deel van de roman, wanneer de jongens allemaal rond de vijf jaar zijn, suggereert Welsh al dat de problemen van vader op zoon worden doorgegeven. Davie Galloway, de vader van Andrew, brengt meer tijd door in de gevangenis dan daarbuiten, en ook Andrew (`Gally') zal er al snel belanden. Henry Lawson dumpt zijn vrouw voor een jonger model, en zijn zoon Terry zal zich ontpoppen tot een onverbeterlijke, chronisch ontrouwe versierder. Duncan Ewart is een gerespecteerde vakbondsman, gelukkig getrouwd, met een grote passie voor muziek – zoon Carl wordt een succesvolle dj. Wullie Birrell is een harde werker in dezelfde fabriek als Duncan, en ook zijn zoon, Billy, komt goed terecht, als bokser en café-eigenaar.

Langs dit stramien worden de personages uitgewerkt in `1980ish', mooi getroffen met `chinos [...], the dessy boots, the blue Fred Perry n the yellay n black zipper baseball top', The Jam, Blondie, speed als favoriete drug, een preoccupatie met voetbal, geweld, en meer nog, met seks (`Guilt and shaggin, they go thegither like fish n chips'). Billy, de sportfanaat, is bang dat seks slecht is voor het voetballen: `Ah wis telt thit it fucks up yir legs fir the trainin.' Gally, het gevoelige type, weet zich volstrekt geen houding te geven. Hij durft niet eens vriendelijk te doen en naar meisjes te lachen, omdat hij denkt dat zijn maten hem dan voor een mietje zullen verslijten. Uitgerekend hij draait voor twee jaar onschuldig de gevangenis in, omdat hij de dader van een steekpartij niet wil verraden.

Het is het begin van een lange reeks pech voor Gally, en van een scheur in de onderlinge loyaliteit, die uitmondt in een tragedie. Zoals Carl beseft over zijn vaders tegenstrijdige morele code: `Een van zijn regels is dat je altijd je maten helpt. O.k. Dan zegt `ie dat je nooit iemand mag verraden. Maar hoe kun je dat allebei doen bij Gally? Hoe kun je hem helpen zonder Polmont te verraden?'

Toch bevat Glue ook, en tegen het einde steeds meer, tamelijk platte slapstickelementen, die niet altijd even geslaagd zijn. Zo is daar een bizarre episode in 2000 rond een wereldberoemde maar wat verlopen en anorectische Amerikaanse popzangeres, die dankzij een uitje in Edinburgh met de jongens, en haar eerste Ecstasypil, het contact met de belangrijke dingen in het leven hervindt. Ook wordt in hetzelfde deel nog even op de valreep een verhaallijn rond kindermisbruik geïntroduceerd – net als de heilzame effecten van Ecstasy een favoriet onderwerp van Welsh.

Dat Welsh een aantal van zijn oude stokpaardjes van stal haalt, hoeft niet per se een bezwaar te zijn. Zo vervullen de personages uit Trainspotting, Renton, Sick Boy, Tommy, Spud en Begbie, amusante bijrolletjes. Maar Glue mist, ondanks een paar aardige oneliners, de vaart en de subtielere humor van Welsh's debuut. En waar Trainspotting, nog altijd zijn beste boek, veel overliet aan de verbeelding, heeft Welsh Glue grondig dichtgetimmerd: alle verhaallijnen komen samen, de moraal wordt uitgebreid uitgelegd, en als ergens in deel 1 een `wee cousin Lisa' langskomt, kun je erop rekenen dat Lisa, niet meer zo wee, vierhonderd pagina's later weer zal opduiken. Glue is volgens de flaptekst `a grown-up book about growing up'. Hoewel flink uit de kluiten gewassen, is het eerder een Bildungsroman van een schrijver die ergens in de groeifase is blijven steken.

Irvine Welsh: Glue. Jonathan Cape, 469 blz. ƒ49,95

Belangrijker dan de individuen is voor Welsh wat de jongens bindt

Buitenlandse literatuur