Iraanse film klaagt Talibaan aan

Op het Filmfestival in Cannes schrijdt de mondialisering van de filmkunst voort. Van één, voor iedere kijker begrijpelijke wereld is echter nog geen sprake.

Het affiche van het 54ste Internationale Filmfestival van Cannes is geïnspireerd door Magritte en laat een heer zien die zijn hoed licht. Het hoofd bestaat uit een wereldbol. De steeds verder voortschrijdende mondialisering van de filmkunst plaatst de westerse kijker soms voor onoplosbare problemen. Zo is het niet duidelijk of de Thaise mihoenwestern Tears of the Black Tiger (Fa talai jone) een bestaand genre parodieert of dat de in zuurtjeskleuren gefotografeerde cowboys, die zowel aan Rudolph Valentino als aan Roy Rogers doen denken, geheel ontspruiten aan de fantasie van debuterend regisseur Wisit Sasanatieng. Het overwegend in roze tinten gefotografeerde resultaat, besprenkeld met een pastiche van Ennio Morricone's muziek voor spaghettiwesterns, zorgt in ieder geval voor cultplezier, ook al raak je er snel op uitgekeken, want de bijna twee uur durende, vooral voor nachtvoorstellingen geschikte verkleedpartij vervalt snel in herhalingen.

En wat moeten we vinden van een Iraanse film die het fundamentalistische regime van de Afghaanse Talibaan aanklaagt? Het heeft iets bizars om de voormalige radicale moslimgardist van Khomeiny en inmiddels tot meer liberale opvattingen bekeerde regisseur Mohsen Makhmalbaf te zien uitleggen dat vrouwen het niet makkelijk hebben in zijn buurland. Kandahar, zoals de internationale titel luidt van de vermoedelijk uit marktoverwegingen gedeeltelijk Engels gesproken speelfilm Safar e Ghandehar, laat een in Canada studerende Afghaanse vluchteling illegaal de grens oversteken naar haar geboorteland, onder meer poserend als vijfde vrouw van een norse oude man. Ze is op zoek naar haar zuster, die heeft geschreven bij de op handen zijnde zonsverduistering zelfmoord te willen plegen. Niet alleen het thema van Kandahar roept ongemakkelijke vragen op; ook de soms quasi-documentaire vormgeving maakt nieuwsgierig naar de authenticiteit van door landmijnen verminkte personages, van struikrovers, bandieten en kleine meisjes. Soms zijn de beelden, bij voorbeeld van per parachute afgeworpen kunstbenen, zo intrigerend als je van Makhmalbaf verwachten mag, maar vaak neigt het betoog – en het onhandige acteren – naar boodschapperige larmoyantie.

Zelfs een Japanse film kan nog gemakkelijk onbegrip veroorzaken. De derde productie van regisseur Hirokazu Kore-eda spreekt veel minder universeel aan dan zijn eerste twee, Maborosi en After Life. In Kore-eda's Distance gaat het om de reünie van verwanten van leden van een fictieve sekte, die drie jaar eerder zelf zijn omgekomen bij een poging het drinkwater van een buitenwijk van Tokyo te vergiftigen. Ook het gelegenheidsgezelschap, dat noodgedwongen overnacht in een hutje in het bos, waar eerder de sekte resideerde, heeft moeite om niet te zwichten voor groepsdwang en de behoefte hun individualiteit op te offeren. Dat is een thema dat buiten Japan minder makkelijk tot identificatie van de kijker leidt, en in Kore-eda's naar purisme strevende filmvorm niet zo herkenbaar wordt als in verwante Japanse films als Eureka en Battle Royale.

Een Franse krant kopte bij de festivalopening dat Cannes `de hoofdstad is van de wereld die cinema heet'. Het zou te idealistisch zijn om te geloven dat die wereld al bestaat, als een van afzonderlijke culturele identiteiten losgezongen werkelijkheid.

    • Hans Beerekamp