Het menu van Melkert

Tot de onvermijdelijkheden van de politicus aan de top schijnt te horen dat, zodra de verkiezingen dichterbij komen, het menselijke gezicht moet worden getoond. Helaas, maar menselijk gezicht leidt bij dit soort mensen meestal tot gekromde tenen. In de reeks pijnlijke afgangen staat nog steeds hoog genoteerd Joop den Uyl, die in de jaren tachtig van zijn campagneadviseurs bij André van Duijn moest optreden. Ook onvergetelijk, eveneens uit de jaren tachtig, is de strandscène met voormalig VVD-leider prof.dr.ir. Voorhoeve die quasi-nonchalant met een voetbal in de weer was en dus alles precies verkeerd deed.

Andere tijden, andere uitingsvormen. De making of de `mens Melkert' begon afgelopen zaterdag in het vooral door `opwaarts mobielen' goed gelezen Volkskrant Magazine. Ad Melkert, in zijn beginperiode als Tweede-Kamerlid door fractiegenoten nog aangeduid als Ad Karnemelk, mocht uitvoerig ingaan op zijn passie voor koken. Want het politiek dier Melkert blijkt in werkelijkheid behalve een kroonprins ook nog eens een keukenprins te zijn! Iemand van het betere werk bovendien. Coquilles St Jaques, gebakken in een hete pan met olijfolie en afgemaakt met truffel en zeezout. Ook het oog wil wat, dus `voor de kleur op het bord' maakt Melkert rode bieten al dente in acieto balsamico en nog wat rode paprika met knoflook gebakken. Ziehier de geboorte van het socialisme met het menselijke en het culinaire gezicht.

Het is in elk geval een prettig vooruitzicht voor de politici uit overige landen. Want mocht Melkert ooit tot het hoogste ambt worden geroepen kunnen zij tijdens moeilijke onderhandelingen in Nederland tenminste op wat beters rekenen dan de beruchte `aangeklede' broodjes kaas. De Haagse politiek krijgt grandeur!

Hoewel? De Melkert zonder dressing is toch een andere. Dat is niet iemand die in Le Bistroquet onder het genot van een goede maaltijd en een stevig glas wijn met een potentiële coalitiegenoot op de achterkant van een sigarendoosje een regeerakkoord in elkaar sleutelt. Die onderhandelt onder neonlicht en met de jongste computeruitdraaien binnen handbereik zo lang mogelijk door tot hij ook de laatste millimeter binnen heeft.

In dat licht moeten ook zijn uitlatingen worden bezien in hetzelfde interview met de Volkskrant over de dominante rol van het ministerie van Financiën in het beleidsproces. Het ,,vanzelfsprekende primaat van het financiële denken'' en de rol die Financiën daarin speelt, moet volgens Melkert worden doorbroken. De `jarenlange gesel' van dat ministerie heeft er namelijk toe geleid dat andere departementen zijn ontwend creatief en inventief na te denken over nieuwe investeringen.

Het is een gedachtegang die typerend is voor een belangrijk deel van de huidige politici: de departementen zijn niet creatief genoeg. Alsof creativiteit niet in de allereerste plaats een taak is voor politieke partijen en hun vertegenwoordigers. Melkert legt het primaat haast automatisch bij departementen en illustreert daardoor op een perfecte wijze het vacuüm waarin de politiek verkeert.

Het probleem is natuurlijk niet dat er zoiets bestaat als een ministerie van Financiën dat een `Zalmnorm' hanteert waardoor het beleid volledig gedicteerd wordt. Die Zalmnorm berust geheel op een politieke afspraak in het regeerakkoord waar Melkert mede zijn handtekening onder heeft gezet. Het zijn politici die welbewust hebben gekozen voor strakke financiële richtsnoeren en het is vervolgens het ministerie van Financiën dat zich een trouw uitvoerder toont. Het is een subtiel maar niet onbelangrijk verschil. Er huist niet ergens in Den Haag een verre onaantastbare boeman, maar er is slechts sprake van een politieke afspraak, die mits er een meerderheid voor zou bestaan, onmiddellijk kan worden afgeschaft. Praktische moeilijkheid is wel dat dan waarschijnlijk ook het paarse kabinet direct is afgeschaft, maar daar gaat het nu niet om.

Melkert heeft ontegenzeggelijk gelijk als hij stelt dat het financiële denken in Den Haag dominant is, maar hij creëert een valse tegenstelling tussen financiële discipline en creatief nieuw beleid. Veel eerder is het zo dat het financiële keurslijf gebruikt wordt als alibi om niet te hoeven nadenken. Want liggen alle overheidsuitgaven nu werkelijk zo muurvast dat op een begroting van 300 miljard gulden niet een paar miljard gevonden kan worden voor onderwijs en gezondheidszorg? Natuurlijk niet. Maar die zaken financieren met extra geld is een stuk eenvoudiger, want het voorkomt het maken van (vervelende) keuzes.

Als het financiële denken dominant is, komt dat door het gedrag van de politici zelf. Niets belet partijen een kloppende boekhouding als uitgangspunt te nemen, om het daarna over `echte' zaken te hebben. Maar zeker in een koopliedennatie als Nederland is politiek veelal niet meer dan een kwestie van geld verdelen. De partij die geen verkiezingsprogramma presenteert dat over een termijn van vier jaar is doorgerekend door het Centraal Planbureau verklaart zichzelf buiten de orde. Nederlandse politici discussiëren niet over denkbeelden, maar over bedragen. De treurige gang van zaken tijdens begrotingsdebatten bewijst het: een idee dat niet is voorzien van `financiële dekking' is onmiddellijk onbespreekbaar.

Een creatief en meer open debat begint bij de politiek. Nu het tekort op de begroting is omgeslagen in een overschot, is financiële discipline veel eenvoudiger te hanteren. Er hoeven geen speciale maatregelen genomen te worden om de debet- en creditzijde van de begroting met elkaar in evenwicht te brengen. Dat gegeven schept vanzelf ruimte voor een minder boekhoudkundig debat over getallen. Grote vraag is of onze politici dat nog willen. Een nog grotere vraag is of zij zo'n debat zonder de veilige plechtankers van Financiën eigenlijk nog wel aankunnen.