Een verliefde opposante van Descartes

De moderne filosofie wordt beschouwd als de uitvinding van één man. Dit is niet alleen voor het gemak, maar ook omdat het eenvoudigweg waar is. Die man heette René Descartes. De plaatsen waar deze Fransman filosofeerde waren onder andere Endegeest en Egmond aan den Hoef.

Toen hij in Endegeest woonde, in de jaren veertig van de zeventiende eeuw, was Descartes inmiddels zo beroemd dat jonge dames uit de hogere kringen van Den Haag hem kwamen opzoeken. Zijn roem had hij gevestigd met zijn Verhandeling over de methode (1637) en vooral met zijn Metafysische Meditaties (1641). De mens, aldus Descartes, is een eenheid die bestaat uit twee substanties: lichaam en geest. De mens leeft in twee werelden: de materiële buitenwereld van zijn lichaam en de spirituele binnenwereld van de geest.

Van het begin af aan stuitte dit Cartesiaanse dualisme van lichaam en geest op een groot, begripsmatig probleem. Als lichaam en geest twee essentieel verschillende substanties zijn, hoe kan het dan toch dat ons denken ons doen en laten beïnvloedt, en, omgekeerd, ons lichamelijk welbevinden ons denken?

Die vraag werd op indringende wijze gesteld door een jonge dame uit Den Haag. Elisabeth van de Palts was de oudste dochter van Frederik van Bohemen en Elisabeth Stuart, dochter van de Engelse koning Jacobus de Eerste van Engeland en zus van koning Karel de Eerste die in 1649 zou worden onthoofd. Nadat Frederik tijdens de Duitse Dertigjarige oorlog zijn koninkrijk Bohemen was kwijtgeraakt, verbleef zijn gezin in Den Haag, op uitnodiging van zijn neef Maurits.

Met deze Elisabeth begon Descartes een uitvoerige correspondentie, zo uitvoerig dat wel is gesuggereerd dat er tussen hen een liefde was opgebloeid die door rang en stand niet kon worden geconsumeerd. `Ook voor mij tonen de zintuigen aan dat de ziel het lichaam in beweging brengt, maar ze maken mij niet duidelijk op welke manier dat gebeurt', schrijft ze aan Descartes. Ze neemt geen genoegen met zijn antwoorden, die ze onbevredigend vindt. Dit is niet verwonderlijk, want ze zijn onbevredigend, en niet alleen die van Descartes. Tot op de dag van vandaag heeft niemand een afdoend antwoord gegeven op de vraag wat de relatie is tussen lichaam en geest.

Passies

Toch hebben Descartes' pogingen om een antwoord te formuleren veel van waarde opgeleverd. Niet alleen is daar de correspondentie zelf, maar ook de Passies van de ziel (1649), een boek dat Descartes schreef naar aanleiding van de briefwisseling met Elisabeth. Onder haar invloed gaat Descartes zijn opvattingen over de relatie tussen lichaam en geest herzien: al doende ziet hij zich gedwongen na te denken over de passies van de ziel. Welke passies moet men volgen en welke niet? Dit is een ethische vraag en zo begeeft Descartes zich contre çoeur op een terrein waar `angels fear to tread'.

De belangrijkste verandering in Descartes' filosofie is dat hij het nu als een essentiële eigenschap van `la condition humaine' ziet dat lichaam en geest een eenheid vormen. De geest, die in beginsel vrij is, wordt in dit aardse leven gehinderd door het feit dat het verbonden is aan een lichaam. Dat deze band bestaat blijkt niet alleen uit de waarneming, maar ook uit het feit dat de geest regelmatig aangedaan is door gevoelens als verdriet, vreugde en teleurstelling.

Hoe moeten we ons tot deze verschijnselen verhouden? Behoren ze tot de buitenwereld van het lichaam of tot de binnenwereld van de geest? Descartes zou de Stoïcijnse leer hebben kunnen volgen: de ziel moet zichzelf leren niet te reageren op dergelijke impulsen. In plaats daarvan betoogt hij dat passies aantonen dat de mens een eenheid is van lichaam en geest. Hij geeft Elisabeth gedetailleerde adviezen over hoe zij haar lichaam kan laten anticiperen op te verwachten emoties, waardoor haar geest minder gepassioneerd zal zijn.

Het hoogtepunt in hun correspondentie vormen de brieven over het goede leven, naar aanleiding van Seneca's De vita beata (Het gelukkige leven). Al snel komt Elisabeth met de pertinente vraag: hoe kan het slechte bestaan in de wereld als God almachtig en goed is? Descartes zoekt zijn toevlucht tot de vrijheid van de menselijke wil, maar dit antwoord verschuift het probleem slechts. Immers, hoe kan de menselijke wil vrij zijn, wanneer God almachtig is?

Er staan meer behartenswaardige dingen in deze briefwisseling. Zo wijst Descartes Elisabeth terecht, wanneer zij, van protestantse huize, verontwaardigd is, omdat haar broer katholiek is geworden: `Wij geloven dat God uiteenlopende middelen aanwendt om zielen naar zich toe te trekken.' Raak is ook Descartes' opmerking over vreugde: `Het is dan ook niet altijd zo dat we ons tevredener voelen naarmate we vrolijker zijn; integendeel, grote vreugden zijn meestal gedempt en ernstig, gelachen wordt er alleen als de vreugde matig en vluchtig is.'

Opmerkelijk is zijn oordeel over Nederlanders: `Voor zover ik de instelling ken van mensen in dit land, die niet zozeer respect hebben voor rechtschapenheid en deugdzaamheid, als wel voor de baard, de stem en de wenkbrauwen van theologen, zodat hier de brutaalsten, die het hardst kunnen schreeuwen, ook de meeste macht hebben (zoals meestal in een land waar het volk het voor het zeggen heeft), ook al hebben ze het minste verstand.'

Zondeval

Descartes foetert vooral op hoogleraren van de Leidse en Utrechtse universiteit. Het dispuut met de Leidse hoogleraren was theologisch van aard. Descartes zou de zondeval ontkennen en geloven in absolute wilsvrijheid, en bovendien de bevolking aansporen zich te bekeren tot het katholieke geloof. De beschuldigingen leidden niet tot een veroordeling, maar de inhoudelijke controverse met sommige Leidse theologen bleef bestaan. Nog in 1999 werd in Leiden een theologisch proefschrift verdedigd, waarvan de eerste stelling luidde: `Descartes heeft in zijn filosofie [...] de interesse voor theologie gereduceerd, de uitgangspunten voor het verwerven van natuurlijke Godskennis beperkt, en tegelijk aan de kennis van God zodanige kwaliteiten toegeschreven, dat aan het oneindige onderscheid tussen God en mens onvoldoende recht wordt gedaan.'

In Utrecht, waar Descartes aanvankelijk een veel scherper conflict had uitgevochten met de theoloog Voetius, kreeg zijn filosofie daarentegen steeds meer aanhangers. Deze geschiedenis van het Nederlands Cartesianisme is uitvoerig bestudeerd door de Utrechtse hoogleraar Verbeek die daarvoor onlangs de Descartes-Huygens prijs heeft gekregen.

De vertaling van deze briefwisseling door Jeanne Holierhoek is betrouwbaar, zij het op een enkele plaats in matig Nederlands. Zo wordt `juger' vertaald als `inschatten' en `une partie du public' als `deel van de collectiviteit'. Verheugend is dat de fraaie slotalinea's van de brieven, waarin de correspondenten elkaar omslachtig bedanken en het allerbeste wensen, volledig vertaald zijn.

Jammer is het, zeker gezien de beschikbaarheid van de rond Verbeek verzamelde expertise, dat de briefwisseling voorafgegaan wordt door een inleiding van René Gude, oud-hoofdredacteur van Filosofie Magazine, die popularisering verwart met vulgarisering. Descartes is volgens hem een zeventiende-eeuwse welzijnswerker die in deze correspondentie `klantenservice' biedt aan een dame die zijn `Algemene methode voor de aanpak van alledaagse levensvragen' had aangeschaft en na lezing een aantal vragen had bij de specifieke aansluiting op haar persoonlijke situatie. Voor Elisabeths intelligentie is dat een tamelijk beledigende opmerking.

Het valt te hopen dat bij een mogelijke tweede druk Gude's inleiding vervangen wordt door een uitvoeriger beschrijving van de historische context waarin deze boeiende briefwisseling heeft plaatsgevonden. Nog mooier zou het zijn als die wordt aangevuld met een vertaling van de Passies van de ziel, Descartes' weloverwogen antwoord op de prangende vragen van zijn geliefde Elisabeth.

René Descartes en Elisabeth van de Palts: Briefwisseling. Wereldbibliotheek, 208 blz. ƒ39,50

    • Menno Lievers