Een omgekeerd vergiet

De Duitse fotograaf Axel Hütte werd bekend met zijn foto's van verstilde landschappen; nu fotografeert hij de duisternis.

Begin dit jaar stond de Duitse fotograaf Axel Hütte bij de Schillingbrücke in Berlijn. Het was nacht, diep nacht, maar het was niet donker. Toen Hütte door de camera keek die hij voor de brug had opgesteld, zag hij wat je tegenwoordig overal ziet in de nacht. Licht. Menselijk licht, dat de duisternis doorboort. Straatlampen. Het licht van de gangen van kantoorflats. Waarschuwingslichten. Stoplichten. Sierschijnsel. Al die gloeden, lichtjes en lampen weerkaatsten in het water van de Spree en trokken brede oranjegele strepen over het wateroppervlak. Hütte drukte af.

De foto die hij maakte in Berlijn hangt nu in het Amsterdamse Huis Marseille als onderdeel van zijn tentoonstelling Nachtstukken. Stuk voor stuk zijn het grote foto's die Hütte de afgelopen jaren maakte in de duisternis. Een parkje in Düsseldorf bijvoorbeeld, waar de verlichting de bomen in een rode gloed zet. De gebouwen rond het Londense Battersea Power Station die door hard wit licht tot decorstuk worden getransformeerd. De letters van een witte Londense lichttekst, die een blauwwit schijnsel over een dak werpt. Doordat op al die foto's de duisternis ruimschoots overheerst, hebben al die lampen en lichtjes nog steeds iets geruststellends. Daar kunnen zelfs de sterren niet tegenop.

Hütte (1951) is een van de bekendste vertegenwoordigers van de Becher-Schule, een generatie fotografen die aan de kunstacademie van Düsseldorf les kreeg van het fotografenechtpaar Bernd en Hilla Becher. Zowel Hütte als Andreas Gursky, Thomas Struth en Thomas Ruf werken volgens eenzelfde systematiek. Niet dat ze zo streng zijn als hun leermeesters, die al bijna veertig jaar louter industriële gebouwen fotograferen. Toch is het werk van iedere afzonderlijke Becher-Schüler goed te herkennen, want het is alsof de groep de wereld in stukken heeft verdeeld, en ieder het toegewezen stuk voor zijn rekening neemt. Thomas Struth bijvoorbeeld, doet groepsportretten en straatgezichten. Andreas Gursky doet landschappen, kantoorinterieurs en mensenmassa's. Thomas Ruff, de opvolger van Becher in Düsseldorf, doet lege huiskamers en soloportretten. En hij doet nachtfoto's.

Alleen om die reden zijn de nachtstukken van Hütte al opmerkelijk: door ze als serie te exposeren breekt hij met de becheriaanse territoriumafbakening. Sterker nog: hij betwist het terrein van een mede-Schüler. Nu lag die strijd al op de loer, want ook Gursky maakt al jaren nachtfoto's. Alleen beperkt hij zich tot `portretten' van kantoorgebouwen, en maakt hij verder tamelijk romantische nacht-luchtfoto's van grote steden, die er meestal bij liggen als eeuwigdurende kerstmarkten. Maar Gursky presenteert ze nooit als serie, en dus kwam hij niet op Ruffs terrein.

Ruff had zichzelf gekroond tot koning van de nacht door twee soorten foto's. Allereerst maakte hij opnames met een infraroodcamera. Kaal, indringend en gluurderig zijn die, alsof je getuige bent van iets dat je eigenlijk niet mag zien. Dat die spanning erin zit is knap, want in werkelijkheid is er op de foto's zelden meer te ontwaren dan een parkje of wat auto's op een parkeerplaats.

Maar Ruff maakt ook sterrenhemels. Technisch zijn die niet erg bijzonder. Ruff deed niet meer dan naar een sterrenwacht gaan, daar een aantal telescoopfoto's uitzoeken en die uitvergroten tot enkele vierkante meters. Maar het resultaat is adembenemend. Ieder keer als ik ze zie, moet ik denken aan die enkele keer dat ik zelf onder een echte sterrenhemel stond. Iedereen kent het gevoel. Je zit in de middle of nowhere en de nacht is helder. Je loopt naar buiten en ineens torent de hemelkoepel boven je uit. Een koepel als een omgekeerd vergiet, waarachter iemand met een enorme lamp wit licht naar de aarde zendt – oneindig wit licht. En die oneindigheid wordt nog eens versterkt door het idee dat sterrenlicht er in theorie jaren over kan doen om de aarde te bereiken, zo lang dat sommige sterren niet eens meer hoeven bestaan op het moment dat jij ze ziet. In Ruffs hemelfoto's zie je dat; even heb je contact met de oneindigheid. Zelden maakte een kunstwerk Goethes Mehr Licht aanschouwelijker.

Strijd

Juist door de macht die Ruffs nachtfoto's uitstraalden lijkt het een vermetele poging van Hütte om de strijd met hem aan te gaan. Ook al omdat Hütte verder altijd grote, verstilde landschapsfoto's maakt, die vooral aan schilderijen doen denken – in Huis Marseille hangen er een stuk of vijf. Wie ze bekijkt met de nachtfoto's in zijn achterhoofd, ziet ook al snel de overeenkomst. Net zoals een schilder zijn voorstelling moet bevechten op het witte doek, zo vecht Hütte met het licht. Het mooiste voorbeeld daarvan is Furkablick, Zwitserland (1994). Aan de rechterkant zien we een huis met verschillende verdiepingen dat aan de rand staat van een dal. Het huis is geel met van die karakteristiek krullende balkonnetjes die trots de lucht insteken. Daarvoor ligt een stuk weg, van asfalt. Verder is alles op de foto wit, want vanuit het dal trekt een mistbank op. Die mistbank is zo groot, wit en dreigend dat je beseft dat-ie ieder moment het gebouw kan verslinden. Dan is alles wit geworden, en is de foto verdwenen in zijn eigen licht.

Vanuit dit perspectief worden Hüttes Nachtstukken een stuk begrijpelijker; ze zijn eigenlijk niet meer dan een omkering van zijn landschapsfoto's. In de `dagfoto's' wint hij de wereld op het licht; bij de Nachtstukken moet hij iedere straal buit maken op de duisternis. Daarmee brengt hij de fotografie ook terug tot haar essentie: deze foto's gaan louter over licht, of de afwezigheid daarvan. En hoe langer je kijkt, des te groter wordt het besef hoe knap dat is; want wat je echt ziet, is zo goed als niets. Niet meer dan wat schimmen van gebouwen, straten, lucht of water; je identificeert ze door het licht dat ze uitstralen of weerkaatsen. Zoals abstracte schilderkunst uiteindelijk alleen maar over verf gaat, gaan Hüttes Nachtstukken over licht. En wordt de strijd met Ruff alleen maar steviger; op deze foto's schuift Hütte zichzelf niet naar voren als koning van de nacht, maar als koning van het licht. En dat is in de fotografie net even belangrijker.

Maar juist door die grote ambitie is het extra pijnlijk dat de Nachtstukken toch niet helemaal zijn gelukt. Hütte is zichzelf voorbijgelopen. In plaats van zijn overwinning rustig te vieren heeft hij zijn triomf extra aangezet. Hütte koos ervoor zijn Nachtstukken niet zomaar op fotopapier af te drukken. Hij koos een ongebruikelijker methode: hij liet de foto's afdrukken op transparant folie dat hij plakte op enorme spiegels. Het effect daarvan is opmerkelijk: de foto's weerkaatsen het licht van de ruimte waarin ze hangen, waardoor het net lijkt of ze zelf licht geven. Ik moest meteen weer aan het hemelvergiet denken. En Hütte gaat zelfs een stap verder dan Ruff; hij toont de toeschouwer het hemelse licht niet alleen, hij kaatst het ook meteen weer terug.

Maar het werkt niet.

Hoe mooi de Nachtstukken ook zijn, met deze ambitie is Hütte een stap te ver gegaan. Hij heeft zich verkeken op de kracht van zijn spiegels. Die geven niet alleen het licht terug, maar alles: de vloer van Huis Marseille, de balken, het plafond en ook de toeschouwer zelf. Vooral mezelf vond ik na verloop van tijd vreselijk in de weg staan. Al snel betrapte ik me erop dat ik op een van de bankjes ging zitten, de catalogus op schoot, om te kijken hoe Hütte de verschillende foto's precies had bedoeld. En het was prachtig. Maar in het museum heeft Hüttes eigen licht het zicht op zijn hemel benomen.

Axel Hütte: Nachtstukken (As dark as light). Huis Marseille, Keizergracht 401, Amsterdam. Di t/m zo 11-17u. T/m 28 augustus. Catalogus ƒ40,- Inf. www.huismarseille.nl

Hütte brengt de fotografie terug tot haar essentie: de Nachtstukken gaan louter over licht