Een meisje raakt de kluts kwijt

Veertien jaar is Heleen Ooms, de hoofdpersoon van Hendrickje Spoors vierde roman Het leven bestaat niet, wanneer zij zich op straat gewillig laat meevoeren door twee op seks beluste Japanse toeristen. Wat er met haar gaat gebeuren, laat zich raden. Maar beschreven wordt het niet. De roman houdt op, nadat een van de Japanners tegen haar heeft gezegd: `Beautiful name! Helen, I am in love with you...' Een ironisch einde, want als de roman iets duidelijk maakt dan is het wel dat deze Heleen niet bepaald overvloedig met liefde is bedeeld.

Haar ouders zijn gescheiden en tonen sindsdien meer belangstelling voor hun eigen perikelen dan voor hun dochter. Onno, de nieuwe vriend van haar moeder en ooit de schrijver van Paul Simons liedje `Fifty ways to leave your lover', kijkt liever naar Studio Sport. Op school wordt ze door haar klasgenoten gepest. Haar vriendje Axel heeft in een dronken bui de hals van een whiskeyfles in haar anus geduwd. De Engelse dealer en junk Steve, bij wie zij heimelijk verliefd steun zoekt, geeft als het erop aan komt de voorkeur aan de drugs. Alleen haar kleine broertje Emile houdt van haar, en zij van hem, maar hij is nog te jong om die affectie volledig te begrijpen.

Zelf snapt Heleen er ook niet veel van, van het leven. Wat haar overkomt lijkt bitter weinig op de Franse romans die ze zo graag leest. Vandaar haar ontvankelijkheid voor de praatjes van Steve, die aan haar verheven verlangens tegemoet komt met theorieën over `the Sublime' en haar wijs maakt dat het leven `niet bestaat'. En zo gedraagt Heleen zich dan ook, alsof ze zelf evenmin bestaat, wanneer ze door die twee beluste Japanners wordt aangesproken.

Een treurige geschiedenis al met al. Romantisch meisje stoot haar neus tegen de werkelijkheid. Waar hebben we dat eerder gelezen? In de wereldliteratuur wemelt het van zulke romantische meisjes – en jongens, in alle leeftijdscategorieën bovendien. De thematiek bevat, kortom, weinig verrassingen. De charme die de roman desondanks bezit, zit in de specifieke en gedetailleerd beschreven omstandigheden van Heleens kleine drama.

In feite doet Hendrickje Spoor het omgekeerde van wat zij in haar debuut De verweerde spiegel (1993) heeft gedaan. Daarin beschreef zij een fatale driehoeksverhouding van enkele hooggestemde zielen, levend in een soort esthetische sprookjeswereld, wier liefde tenonder gaat (ik vat het voor het gemak maar even samen) aan narcistische verblinding. Ditmaal is het de even botte als banale werkelijkheid die het verlangen naar liefde doorkruist.

Dat heeft ook in sfeer en stijl een ander boek opgeleverd. De literaire préciosité van het debuut, balancerend op de rand van de kitsch en daar geregeld overheen tuimelend, heeft plaats gemaakt voor een zeer vertrouwd en zeer Hollands aandoend realisme, al vallen er een enkele keer nog woorden als `pudeur' en `gesuccumbeerd'. De sprookjeswereld, ver van de madding crowd, is veranderd in het Amsterdam van de jaren zeventig met zijn echtscheidingen, vrije liefde, kraakpanden, drank en drugs. Een prettig gestoord gekkenhuis, zij het minder geschikt voor een naar romantiek en passie hunkerend pubermeisje dat het noodzakelijke pedagogisch tegenwicht door haar ouders wordt onthouden.

De arme Heleen moet alles op eigen houtje zien uit te vinden. Van haar overspelige vader Clemens, een beroemd journalist, krijgt zij – met dank aan Heraclitus – te horen dat `alles stroomt en niets blijft'. Van haar mooie moeder Quinta, die vóór de komst van de wezenloze Onno een wild leven leidde met haar therapeut, verneemt zij dat `sex net zoiets is als het eten van een boterham'. Steve, die op Heleens advies het vroegere gebouw van haar vaders krant kraakt en in diens oude kantoor gaat wonen, walst daar vervolgens met zijn junkie-wijsheden nog eens subtiel overheen.

Geen wonder dat het meiske de kluts kwijtraakt, te meer daar zij (zoals wel vaker voorkomt bij kinderen van gescheiden ouders) geneigd is zichzelf de schuld te geven van alle rampspoed. `Je moet detective worden', heeft haar vader ooit tegen haar gezegd, omdat ze altijd alles `in kaart' wil brengen. `Detectives sporen misdadigers op', had Heleen toen geantwoord. Tenslotte vindt ze dat zij, met haar hang naar `overzichtelijkheid', zelf de misdadiger is. Had haar wankelmoedige en egocentrische moeder haar niet voorgehouden: `Je moet leren verantwoordelijk te zijn voor je eigen beslissingen en handelingen'?

Van haar hoofdpersoon, die door de omstandigheden en door haar omgeving een premature volwassenheid krijgt opgedrongen, heeft Hendrickje Spoor een aandoenlijk portret geschilderd, dat tegelijkertijd het zeer herkenbare portret is van een losgeslagen gezin in de jaren zeventig. Een literair bezwaar is hoogstens dat de accenten soms wel erg zwaar zijn aangezet, waardoor er weinig te raden overblijft. Dat vriend Steve bijvoorbeeld meer een vervanging van Heleens afwezige papa belichaamt dan een potentiële minnaar, hadden we ook wel begrepen zonder dat hij uitgerekend in diens oude kantoor zijn intrek neemt.

Bij wijze van motto gaat aan de roman Marsmans gedicht `Lex barbarorum' vooraf, dat besluit met de regels: `allen die wegkwijnen aan een verdriet,/ verraden het en dat wìl ik niet'. Ze zijn van toepassing op de hoofdpersoon (die met de moed der wanhoop blijft proberen zich staande te houden), maar misschien ook op de schrijfster zelf.

Na voor haar vorige romans zulke in Nederland dodelijke verwijten als snobisme en pretentieuze drakerigheid te hebben geïncasseerd, moet Hendrickje Spoor hebben gedacht: ik zal jullie eens bewijzen dat ik ook voor een doodgewone realistische roman mijn hand niet omdraai. Met Het leven bestaat niet heeft zij dat bewijs – in weerwil van de titel – overtuigend geleverd.

Hendrickje Spoor: Het leven bestaat niet. De Bezige Bij, 208 blz. ƒ34,90

Nederlandse literatuur

    • Arnold Heumakers