Een gedoogzone voor één appelboom

Waar is de polder waarnaar het poldermodel is genoemd? Tiende aflevering van een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

Begin mei `doen' wij altijd de Rondehoep. Het is een soort wanhoopsoffensief.

Eigenlijk zou je de Rondehoep op een doordeweekse dag moeten rondfietsen, maar tijdgebrek en slecht weer nopen ons elk jaar weer tot een zondag of tot bevrijdingsdag, dagen waarop ook anderen op het idee komen en we lange rijen vergrijsd Nederland passeren, het stafkaartje van ENFB op een speciaal daarvoor bestemd plankje op het stuur gemonteerd, of we worden gepasseerd door snelle jagers op racefietsen, de kont in de lucht en de neus vlak boven het asfalt. De eerste groep heeft geen oog voor het landschap omdat ze doodsbenauwd is dat het kaartje niet klopt en de tweede groep gaat het om snelheid en conditie. Doodgaan doet iedereen.

De Rondehoeppolder is een van de laatste stukjes authentiek Nederland en bevindt zich in de driehoek tussen Ouderkerk a/d Amstel, Vinkeveen en Uithoorn, onder de rook van Amsterdam, zogezegd. Misschien wordt hij niet eens genoemd op de digitale bewegwijzering, waarmee de duurdere automerken tegenwoordig zijn uitgemonsterd. Ik heb zo'n sprekende computer eens mogen meemaken, als bijrijder. Er kwam een vrouwenstem uit. We noemden haar Kristel. We tikten de straat te Den Haag aan waar we moesten zijn en Kristel leidde ons rechtdoor, linksaf en rechtsaf, noemde de stoplichten die we tegenkwamen en zou ons desnoods achteruit laten rijden in een doodlopende steeg, mochten wij haar even niet hebben gehoord. Het was een wonder. We reden op de A4, tussen geluidswallen en industriële laagbouw en omdat Kristel even haar mond hield, keek ik bezorgd op het schermpje. Warempel, links van ons lagen de Westeinder plassen, daar zou ik zonder schermpje nou geen weet van gehad hebben, terwijl ik toch vroeger blindelings van Haarlem naar Kudelstaart fietste om er een roeibootje te huren. Onthutst liet ik het nederzettinkje voor niet-permanente bewoning voorbij schieten en ik wist: ik ben Nederland aan het vergeten! Ik kan de A1, de A2 en de A4 wel dromen, ik weet tamelijk nauwkeurig op welke hoogte ik me op de snelweg bevind en hoe ver het nog is naar het einddoel, maar ik heb er geen idee meer van hoe het er achter de industriële lintbebouwing uitziet.

Vandaar elk jaar in mei dat wanhoopsoffensief rond de Rondehoep. Elk jaar valt het meer tegen.

Ik heb namelijk een beeld van Nederland in mijn hoofd dat in mijn herinnering en in de literatuur, met name in de poëzie, nog steeds heel levendig is, maar dat in werkelijkheid niet meer bestaat. In mijn hoofd zitten regels voor de eeuwigheid verborgen, die kloppen met het gevoel dat ik over Nederland heb als ik in het buitenland ben: `Denkend aan Holland/ zie ik brede rivieren/ traag door oneindig/ laagland gaan' van Marsman; `Dit, dan, is wat wij maken: in Juni als de weiden gloeien/ van boterbloemen, zuring, klaver/ en bloeiende kniehoge grassen', het titelgedicht uit Beemdgras van Judith Herzberg; of: `Ik ben midden in dit land geboren./ Daar ligt een weiland wijd, daar kunt ge horen/ Den leeuwrik zingen vliegend naar het blauw,/ De rundren grazen, lekkend blanken dauw/ En lijken als boten op stroom te drijven' uit de Mei van Gorter; of: `Een minuut of tien/ dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken, mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd' – uit `De moeder de vrouw' van Martinus Nijhoff; of: `Een stilte van hoeven en hoesten/ trekt uit de weilanden op' van de jonge dichter Erik Menkveld; of desnoods de rollende hunebedden van H.H.ter Balkt: `Wit wollegras, lavendelheide gluurden uit/ hun hoogveen naar aaneengestikte hazevellen.' Het is maar een greep uit mijn boekenkast.

En dan is er Natuurdagboek van Nescio, vijf jaar geleden bezorgd en van commentaar voorzien door Lieneke Frerichs, een verbazingwekkend en onthullend boek. De drie beroemde boeken van Nescio: De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje stammen van vroeg in de vorige eeuw, uit 1910, 1914 en 1918, toen men nog maar net aan de kunstmest was gewend en het kersenhout van het dashboard van de T-Ford werd vervangen door metaal. Dan hoeft het niet te verbazen dat het Nederlandse landschap in die boeken een allesoverkoepelende rol speelt. In zijn Natuurdagboek, een kleine halve eeuw later, heeft Nescio bijgehouden waar hij van dag tot dag heenging, van februari 1946 tot en met december 1955, de laatste jaren van zijn leven én de jaren waarin de vermaledijde babyboomers het levenslicht zagen. Die `boomers' kunnen nog vroege herinneringen hebben aan het landschap dat Nescio minutieus beschrijft.

Hij maakt tochtjes naar Bergen, naar Eindhoven en Maastricht, een enkele keer steekt hij de IJssel over, maar het grootste deel van het boek wordt in beslag genomen door uitstapjes van Ransdorp, via Weesp en Muiden tot Kortenhoef en Vinkeveen en Nes aan de Amstel. Er gaat bijna geen dag voorbij dat hij niet de bus neemt, of de tram of trein, of de fiets, en hij beschrijft zakelijk wat hij ziet, wat het water doet, hoe een paar bomen erbij staan en de eeuwig opdoemende kerktorens aan de horizon die het de reiziger mogelijk maken zich te oriënteren. ,,Het dagboek spreekt op bijna elke bladzijde de glorie uit van het Nederlandse landschap'', schrijft Frerichs in haar `Verantwoording, ,,met zijn vele torens als bakens op de horizon. Het is of de schrijver bezig is een immateriële wereld te maken, waarin tijd plaats en naam hun betekenis verliezen; een toevluchtsoord misschien, tegen het verwoede bouwen en slopen om hem heen.''

Hij gaat met de bus naar Muiderberg, kijkt of het gezicht op Marken helder is, drinkt een kop koffie en gaat weer naar huis. Hij staat uren op de Hakkelaarsbrug: ,,De gladde Naardertrekvaartvaart met een struikje aan dezen kant en verderop aan den overkant, een Chineesche teekening met verder nix.'' Of: ,,Het laantje voorbij Ouderkerk met weer de schaduw van de boomen. De molen. De groep boomen in de wei.'' Of hij is in Noord-Holland: ,,Storm, meest met zon. Tusschen 5 en 6 met Os op het duin. Zeer wijd, zeer groen met witte wolken en een geel rechthoekje met geele schooven op rijtjes. Het eindelooze Noord Holland. En Schagen met zijn twee torentjes, het eind van alles.'' Of in Nederhorst den Berg: ,,Op m'n jas gezeten met m'n rug tegen 'n wilg en pijpjes gerookt. Tegen twee boomen stond een ladder. Geelgroene appels, goud op 't gras en schaduwen en glans op de stammen, zeer buiten alle wereld. Verder. Te nevelig om de torens van Abcoude en Kortenhoef te zien. Zeer blauw water met zon.'' Maar er zijn ook passages waarin hij de aanstormende ramp lijkt te voorzien: ,,De dorpen met de trieste aanwassen van rothuisjes. Rothuisjes overal. De ontluistering.'' Door de eindeloze herhaling van Nescio's tochtjes – hoeveel keer moet hij wel niet in Weesp en Muiderberg koffie hebben gedronken in die tien jaren? – door de precisie van de beschrijvingen van wat de meest vanzelfsprekende dingen lijken, is Natuurdagboek doortrokken van een zekere weemoed, alsof de schrijver afscheid aan het nemen is van alle dingen en plaatsen, alsof hij weet dat het zijn laatste tien jaar zijn en alles uit zijn zicht zal verdwijnen.

Niet alleen uit zijn zicht. Niet alleen voor hem was alles aan het verdwijnen. Een kleine halve eeuw later kunnen babyboomers die de Rondehoep `doen' alleen nog maar sporen vinden van de omgeving die Nescio de moeite waard vond om met zoveel geduld en zoveel herhaling op te tekenen.

Wij babyboomers doen de Rondehoep in mei, als het Nederlandse landschap ongeëvenaard is in de wereld. De Rondehoep begin je vanaf de Wibautstraat, een straat die Nescio nog bezongen heeft als zijnde van goud, met zwarte `boomen aan den einder', maar die je nu beter zo gauw mogelijk wilt vergeten. Terwijl we Zorgvliet passeerden begon ons humeur tot grote hoogte te klimmen, want vóór ons strekte de lente zich in alle overdadigheid uit. Dat hadden we gedacht. De A2 maakte korte metten met onze illusie en jankte boven onze hoofden het volkslied van de vooruitgang. In mei leggen alle vogels een ei, maar dat zal het asfalt worst wezen.

Daarna ging het lange tijd goed, voorbij 't Kalfje tot het pontje, waarmee we de Amstel overstaken naar de Groot Duivendrechtse polder. Het pontje is een wonder, net zo goed als de hele Duivendrechtse polder tot aan Ouderkerk een mirakel is van gras en bloeiende bomen en schitterend water, zolang je maar geen horizon verlangt. Onder die voorwaarde waanden we ons in Gods zelfgemaakte natuur.

Bij Ouderkerk was het zaak snel door te steken, want daar werd de Braderie voor bevrijdingsdag opgebouwd, die vooral zou bestaan uit een podium voor snoeiharde muziek. `Jippiejeehee', zong Nescio een enkele keer bij mooi weer, maar bij het zien van de opstelling op het marktplein in Ouderkerk zou hij er iets anders mee bedoelen. We fietsten langs de Bullewijk, een riviertje dat bij de Stokkelaarsbrug in de Oude Waver overgaat. Hoe vredig en mooi lag alles te wezen, totdat, rang! rang! het autoverkeer van de A9 ons tot stakkers bombardeerde die dachten ongestoord van het landschap te kunnen genieten. Holendrecht en Bullewijk zijn vooral namen die aan metrostations doen denken, maar ze bestaan, het zijn de prachtigste bloeiende polders ter wereld, als je de A9 eenmaal onderdoor bent. Niet omkijken. Met opgeheven hoofd de opdringerigheid van het asfaltmonster negeren, is het parool.

Bij de Stokkelaarsbrug sloegen we linksaf om nog dieper Hollands typische schoonheid in te duiken. Net wilden we het van vreugde over het Hollandse landschap wel uitzingen, de Winkel stroomde zachtjes, de roerdompen doken en duikelden, babyeendjes liepen óver het water, toen we daar, verdorie, op de A2 stuitten, waarmee het fietspad een kilometer of wat parallel liep. Eerst de A4, toen de A9 en nu de A2! Je werd er geen moment níet aan herinnerd dat je in geleend landschap fietste, landschap dat van gemeentes en projectontwikkelaars nog even mag bestaan, maar dan, vooruit, is het uit met de pret. Het behoort niet tot de minste ergernissen langs een snelweg te fietsen, waarop iedereen aan het racen is om op tijd bij schoonmoeder te zijn.

Via een bespottelijk fietserstunneltje, dat in de gauwigheid was neergezet, konden we in een rechte lijn naar Baambrugge, maar de lol was er af. We keerden terug naar Abcoude. Nu hadden we de wind tegen en de Rembrandt- en Mondriaantoren voor ons. Het is geen misdaad, die twee torens, maar het Nederlandse landschap, waar Nescio nog fluitend door het groen met vlakke horizon reed, is iets geworden als Central Park in New York, met zijn vermanende wijsvinger naar de stad. Erger nog. Central Park is een paradijs vergeleken bij de Muntbergweg of de Spaklerweg, waar we, verwoed tegen de gure noordooster in trappend, het AMC achter ons lieten, en het IKEA meubelpaleis en de Kwantumhallen en al het andere nondescripte dat daar verder voor een dubbeltje op de eerste rang ligt te liggen. De koopmansgeest waarmee we in de zeventiende eeuw de grachtenpanden bouwden, laat hier zijn ware gezicht zien. Of is het de overheid die dat doet? Wist de Republiek der Zeven Vereenigde Provinciën beter wat zij deed dan de parlementaire monarchie, die het woord `poldermodel' heeft uitgevonden terwijl ze de polders schrapt? Vanaf het Holendrechtplein tot aan het Amstelstation is het polderlandschap vernietigd door niks.

Ons wanhoopsoffensief was ten einde. We konden de stad tenminste nog ín. Dat is het verschil tussen Koninginnedag en bevrijdingsdag. Op de eerste is het devies dat je als Amsterdammer stil moet zitten als je geschoren wordt. De deur uit gaan betekent dat je moet toezien hoe ze met z'n zevenhonderdduizenden uit de provincie de taferelen van Jeroen Bosch doen verbleken. De stad uitgaan dat je met geen mogelijkheid voor half twaalf 's avonds weer binnen de stadspoorten komt. Thuiszitten en oordoppen in, leve de koningin.

Bevrijdingsdag is een luwte. Van de Dam is elk papiertje en elke wildpissende provinciaal verwijderd opdat de koningin er ongehinderd haar pumps kan zetten voor de dodenherdenking de dag ervoor. Kort na bevrijdingsdag dendert de kermis op de Dam en komen de hordes de stad weer bezetten. Amsterdam als een Efteling met grachten. `Lezer, geeft toe: de stad is microcosmos en ook chaos/ (ik woonde liever nog als bedelaar in Laos)', schrijft Th.A.Sontrop in het meinummer van De Gids bitter. Maar Sontrop is naar Vlieland gevlucht, waar geen A2, A4 of A9 is te bekennen. Wij moeten niet zeuren, als we in een stad willen wonen en niet op het meest verre eiland van Nederland. Maar we zeuren wel, want de stad durft geen stad te zijn, maar geeft er de voorkeur aan als nationaal pretpark te fungeren en het landschap óm de stad is tot een gedoogzone voor één appelboom geworden, waarin je blij mag zijn dat je niet wordt bekeurd als je je beklaagt over de meest stompzinnige barakken voor economie en welvaart. Bedelaar in Laos, het is een optie.

Waar kunnen we nog wonen dan in onze gedichten, om met Slauerhoff te spreken? En wat, als die gedichten geen landschap meer hebben en geen stad, die stad wil zijn?

`Denkend aan Holland...', waar denk ik dan nog aan?

Volgende week begeeft Elsbeth Etty zich in het Holst van Nederland

De Duivendrechtse polder is een mirakel zolang je geen horizon verlangt

`Jippiejeehee', zong Nescio een enkele keer bij mooi weer