Dood spoor

Zo begint een gedicht van Gerrit Kouwenaar: `Al met aarde besmet haar uitwendig gezicht'. En zo beginnen ook al meteen de problemen. Want wat moeten we ons precies bij een uitwendig gezicht voorstellen? En hoe kan zo'n gezicht eigenlijk besmet zijn? Zoiets zeg je van mensen of van dieren of van werk, maar niet van een gezicht. Het is bovendien niet besmet met een ziekte, maar met aarde. En wat betekent, als de dingen zo vreemd gezegd kunnen worden, `al' dan nog: `geheel' of `reeds'? Vanaf het eerste woord vestigen de bijzondere formuleringen de aandacht op zichzelf. Het gevolg is duidelijk: de vaart gaat er meteen uit. Zinnen zijn er bijna niet, en als ze er wel zijn dan roepen de nieuwvormingen en de nieuwe verbindingen wel vertragende vragen op. Poëzie van na de explosie noemde Vestdijk dit: het normale zinsverband is opgeblazen, er zijn alleen nog brokstukken over. Het is poëzie die alleen nog maar woord voor woord te lezen is. Daarmee volgt de lezer de experimenterende, niet volgens een vooropgezet plan werkende dichter, zo wil althans de suggestie.

In het gedicht van Kouwenaar ontstaat zo stap voor stap zoiets als een mozaïek: een portret van een vrouw die op sterven ligt of misschien al gestorven is. Zij is `al met aarde besmet'. En we lezen: `nooit keek men zo laat in het vroegste gezicht'. Zij is `nog moeder dan haar dubbelgangster'. Het lijkt erop dat de dichter hier zijn eigen moeder portretteert, maar zijn opstapelende en woordspelende stijl houdt de bijbehorende gevoelens op afstand. Het is op het onsmakelijke af: zij wordt beschreven als `dat waar men levenslang uitkroop' en als `dood lopend vlees'. Zij is `gedicht en ontledigd', zij heeft haar `tijd verbruikt', zij heeft of is `ingeteerd heden': allemaal moeizame woordzoekingen om iets onder woorden te brengen dat zich moeilijk laat zeggen. Het portret komt niet echt los uit zijn `talige' corset, totdat zich na een witregel opeens een andere stem meldt: spreektaal, recht uit het hart, vloekend bijna. Een verademing. De zin staat tussen aanhalingstekens, maar dat zou bij deze dichter wel eens kunnen betekenen dat hij niet citeert, maar juist namens zichzelf spreekt. Ook in de twee daar nog op volgende slotregels klinkt een andere, veel ongeremdere stem:

neergegooid in de hoek van een oud

station

vergeten bagage, afgelast eindpunt,

zelfs

geen laatste trein die haar meeneemt

Het is een en al eenzaamheid, aan het eind van de levensweg. De dode wordt niet zachtjes neergelegd, maar neergegooid. Niet op een eerbiedwaardige plaats, maar in een hoek. Niet in haar eigen huis, maar in een station, een oud station bovendien. Als vergeten bagage, door niemand gemist, een door niemand meer afgehaald gevonden voorwerp. En door niemand meegenomen, zelfs niet door de laatste trein.

De Amerikaanse dichter Robert Lowell (1917 – 1977) is in veel opzichten de tegenpool van Gerrit Kouwenaar: levendig en grillig tegenover koel en sober, vertrouwelijk en persoonlijk tegenover afstandelijk en onpersoonlijk, spreektaal tegenover losse woorden. Dat geldt zeker voor de Lowell van de bundel Life Studies (1959) waarin hij probeerde zijn academische poëzie achter zich te laten en meer, zoals de titel al aangeeft, rechtstreeks naar het leven te tekenen. In de titelafdeling bevinden zich tussen jeugdherinneringen, portretten van familieleden en verslagen van zijn psychische inzinkingen enkele schrijnende gedichten over zijn ouders. Een ervan, `For Sale', gaat over het kleine plattelandshuisje in Beverly Farms, in de buurt van Boston, waar zijn ouders net een jaar hadden gewoond toen zijn vader stierf. Het werd (Lowell merkt het met enige verontwaardiging op) na diens dood meteen te koop gezet. Het meubilair leek ook meteen weg te willen. Het stond, in de woorden van de dichter, al reikhalzend uit te zien naar de verhuizer die op zijn beurt al stond te dringen toen de begrafenisondernemer nog niet eens weg was. En de weduwe? Die komt daarna pas in beeld: `Ready, afraid / of living alone till eighty, / Mother mooned in a window, / as if she had stayed on a train / one stop past her destination.' De moeder zit maar te staren voor het raam, alleen, in een al leeggehaald huis dat nu te koop staat: alsof ze in een trein zit en vergeten is uit te stappen. Het is net als bij Kouwenaar een mooi uitgestelde, maar wrange ontknoping, en het effect is al even triestig: vergeten bagage, vergeten passagier, uitgerangeerd, op dood spoor beland.

Je zou denken dat Lowell hier, in tegenstelling tot Kouwenaar, zijn hart vrij laat spreken. Je zou kunnen denken dat hier een onthutste zoon een liefdevol en medelijdend portret van zijn oude eenzame moeder geeft. Je zou vermoeden dat hier een trouw echtpaar nu smartelijk door de dood is gescheiden: het lijkt alsof de vrouw spijt heeft dat ze niet tegelijk met haar lieve man is uitgestapt. En je zou denken dat een bundel als Life Studies, die een autobiografie in verzen wilde zijn, geen verdere biografische uitleg nodig heeft.

Het is aardig om te weten dat het beeld van de trein toepasselijk was: het huisje van de Lowells had uitzicht op het spoor en lag dicht bij het station, waar de trein naar Boston vertrok. De plek was ook om die reden uitgekozen. Maar van de verdere suggesties blijkt volgens de biografie van de dichter weinig te kloppen. Lowell stond in augustus 1950, toen zijn vader plotseling stierf, op het punt voor lange tijd naar Europa af te reizen. Hij moest zijn vertrek op het laatste moment uitstellen, om de begrafenis te gaan regelen. Uit de tekst van het gedicht blijkt het nergens, maar hij zal zelf de nodige haast achter de verkoop van het huisje hebben gezet, want hij wilde weg. Nog binnen de maand vertrok hij alsnog naar Europa. Het vertrek viel hem niet echt zwaar, want het contact met zijn ouders was altijd al slecht geweest, zoals ook de onderlinge verhouding tussen zijn dominante, ontevreden, sentimentele en snobistische moeder en zijn zwakke, volgzame, dommige vader slecht was.

Vreemd, welbeschouwd, dat er juist bij het autobiografische dichten zo veel vervorming optreedt. Het doet er niet echt toe, en het zal de experimentele dichter om heel andere dingen gaan – maar na lezing van Lowells gedicht dacht ik: Gerrit Kouwenaar heeft vast veel van zijn lieve moeder gehouden.

Nederlandse literatuur