Dood of niet?

In 1796 werd een buitengewoon originele methode beschreven om aan een echtgenote te ontkomen, in de roman Siebenkäs van Jean Paul. De hoofdpersoon, een jonge advocaat, houdt zich schijndood. De Heer Siebenkäs wordt dood verklaard, in een kist gestopt en begraven, om in het volgende hoofdstuk door een vriend te worden opgegraven.

Dat Jean Paul met deze ontsnappingsclausule kwam is minder buitenissig dan het lijkt. De dokters van de achttiende eeuw kenden niet zo veel manieren om een levend van een dood lijk te onderscheiden. Levend begraven mag in onze dagen dan worden aangezien voor onderkast-onderwerp, het was in diezelfde achttiende eeuw een hot item en is dat tot diep in de vorige eeuw gebleven.

Van Jan Bondeson verscheen Buried Alive, een studie over de ultieme vorm van claustrofobie-met-recht-en-reden. Prachtig beschrijft Bondeson het ontstaan van de hausse aan geschriften over levend begraven-zijn. Die hausse begint bij de Deense anatoom Winslöw. Deze baarde opzien met zijn proefschrift Morte incertae signa (1740). De onzekere tekenen van de dood, afwezige pols, de borst gaat niet op en neer, mondspiegeltje beslaat niet – Winslöw vertrouwde liever op de zwarte wakken die vallen als het lichaam vergaat. Voor zijn ongeduldige lezers had de Deense anatoom wel nog een paar suggesties: men kon de veronderstelde dode geschilde knoflookteentjes in de neus steken, geperste mierikswortel, of een lange, puntige pen. Men kon de darmen tergen met prikkelende klisma's (wijwater, azijn, zout of peper), hetzelfde kon natuurlijk via de mond worden toegediend, `en waar die ingrediënten niet bij de hand zijn is het gebruikelijk warme urine naar binnen te gieten, een methode die volgens waarneming gelukkige effecten sorteert.'

Buried alive is aantrekkelijk geschreven, uitstekend gedocumenteerd en de auteur heeft zich beheerst als het gaat om hilariteit, de historische krankzinnigheden zijn al niet van de lucht en Bondeson heeft terecht besloten dat die geen extra kruiding behoeven.

Om zeker te zijn dat men geen levende zou begraven bedacht men vele testmethoden. Ik noemde al het gietertje met warme urine en het wijwaterklisma, via de in 1784 ontwikkelde, Belgische Doppelbläser kon men ook tabaksrook brengen in de windingen van het lijk, om eventueel nog aanwezige geesten weer op te wekken. Tot de verbeelding spreekt evenzeer het Duitse blaasroer. Men had namelijk uitgevonden dat een lichaam in ontbinding doorblaasbaar is en dus kon men de dood aan de hand van dit criterium vaststellen. Aan een krachtige luchtpomp wordt een buis verbonden, dit blaasroer wordt in de keel van het lijk geduwd en de pomp wordt in werking gesteld. Het gevolg van deze blaastest wordt door Bondeson `grotesk' genoemd, hij had misschien iets meer details kunnen bieden. Maar toch. Meer groteske methoden, ik zou ze het liefst allemaal navertellen. De Thanatometer van Nasse, de Lebensprüfer van Struwe, de Tepelpincet van Josat, Barnetts Blarentest. Misschien wel de mooiste is de Vlag van Middeldorph, een negentiende-eeuwse methode waarbij een lange naald in het hart van een lijk dient te worden gestoken, mocht dit lijk nog leven dan begint het vlaggetje aan het uiteinde van de naald vrolijk te wapperen.

Steeds weer opnieuw bleek de ultieme zekerheid pas tijdens het rottingsproces te halen (zwarte plekken, wakken). Het mortuarium werd populair, waar lange rijen lijken op dodelijke zekerheid lagen te wachten. Bondeson beschrijft een scène waarin het lichaam van een kind voor het oog van vader en moeder zo ongeveer ontploft door opgelopen druk van binnen. Zo erg? Zo erg ja. De angst voor het alternatief was ook heel erg. Steeds maar weer die verhalen over geëxhumeerden, mensen die hun einde in de kist beleefden. Men trof uitgerukte pruiken in de hand, soms had een lijk zijn eigen handen opgegeten, soms alles en restte slechts een setje tanden. Echt waar? De angst is waar, de rest is maar de vraag. Uit alle mortuaria in het Europa van de negentiende eeuw is niet één geval bekend van een lijk dat nog bleek te leven.

Jan Bondeson: Buried Alive. The Terrifying History of Our Most Primal Fear. W.W. Norton, 320 blz. ƒ68,85 Zie ook: www.shroudeater.com