De underdog van New York

Het Brooklyn Museum of Arts in New York botste twee keer frontaal met burgemeester Giuliani van die stad. Directeur Arnold Lehman wil niet choqueren, maar wel nieuw publiek trekken.

Arnold Lehman heeft een krankzinnige tijd achter de rug. Ruim drie jaar geleden nam hij de schone slaapster van Brooklyn op zijn schouders. Hij keerde het andere museum van New York binnenstebuiten, organiseerde dansavonden, trok nieuw publiek en botste twee keer frontaal met burgemeester Giuliani, wiens katholieke gevoelens waren gekwetst. Achteraf ziet hij het als een uitputtende afleiding van de hoofdzaak: het Brooklyn Museum of Arts nieuw leven inblazen.

,,Die confrontatie verhoogde het lawaai-niveau, maar het liep hier al storm. Wij werden een pad op gedreven dat we niet hadden gekozen. Het bracht extra toeschouwers, maar ook metaaldetectors. Mijn leven werd bedreigd. Het was vreselijk en pijnlijk. Toen we eenmaal bezig waren, hebben we ons er op gestort: de vrijheid van expressie is een groot goed voor een museum'', zegt Lehman over de aanvaring die hij ruim een jaar geleden had met burgemeester Giuliani over de tentoonstelling Sensation, Young British artists from the Saatchi Collection.

,,Ik ben trots dat we het hebben gedaan. De tentoonstelling overtrof alle verwachtingen. Al voor de burgemeester iets had gezegd, was het probleem niet mensen te lokken, maar ze dit gebouw weer uit te krijgen. Zij hadden vier, vijf uur in de rij moeten staan en bleken gefascineerd, zoveel herkenden zij. Het heeft ons een rijk gevarieerd en jong publiek opgeleverd.''

Steen des aanstoots was een schilderij van de Brit Chris Ophili waarop een semi-naturalistische Maagd Maria was gegarneerd met stipjes olifantenmest. Het schilderij had eerder in Londen en Berlijn nauwelijks aandacht getrokken. Giuliani en de Catholic League for Religious and Civil Rights vonden het doek onaanvaardbaar. Zij wilden niet horen dat de uitwerpselen van olifanten een sacrale rol vervulden in Ophili's Nigeriaanse jeugd. De burgemeester kende het schilderij alleen van horen zeggen maar trok alle subsidie in – een derde van de begroting van het museum. Bovendien zegde hij het museum de huur op, wat neerkwam op sluiting. Na een spectaculaire `first amendment'-rechtszaak werd Giuliani gedwongen zijn beslissingen terug te draaien.

Twee maanden geleden was het weer raak. Het museum in Brooklyn bracht nu een fototentoonstelling, Committed to the Image: Contemporary Black Photographers. De burgemeester las in de New York Daily News dat er een aanstootgevende foto bij hing waarop de New-Yorkse kunstenares Renée Cox zich zelf naakt had afgebeeld als Jezus, staande aan een tafel met het Laatste Avondmaal. Om haar heen zit een clubje gesoigneerde zwarte heren die knabbelen aan wat snacks. Noch de enscenering, noch de technische kwaliteiten maakten Yo Mama's Last Supper een bijzonder pakkend kunstwerk, vonden de meeste critici. `Schandelijk', `walgelijk', oordeelde Giuliani.

,,Als u er in geslaagd was uw kleren aan te houden, zou u bij mij geen kritiek losmaken'', zei Catholic League-voorman William Donahue tegen Cox in een openbaar debat. Hij vond dat mede-kunstenaars en niet gemeentelijk benoemde deskundigen kunst zouden moeten beoordelen. De burgemeester oordeelde anders en stelde een Cultural Affairs Advisory Commission in, in de praktijk de `fatsoenscommissie' genoemd. Giuliani wil dat die commissie gesubsidieerde tentoonstellingen vooraf beoordeelt op zedelijke toelaatbaarheid.

Aanstootgevend

De stad New York besteedt jaarlijks 115 miljoen dollar aan exploitatie-subsidie voor de schone kunsten en heeft de komende tien jaar 1,2 miljard toegezegd aan bouwsubsidies. Burgemeester Giuliani wil via de commissie voorkomen dat belastinggeld wordt besteed aan tentoonstellingen die hij, en naar hij meent velen met hem, aanstootgevend vinden. Het stadhuis was ondanks vier verzoeken onzerzijds niet bereid een toelichting op het beleid te geven.

De kersverse kardinaal Egan viel de burgemeester bij. ,,Sommige van deze musea hebben er alles voor over een beetje aandacht te trekken'', klonk het van de kansel in de St. Patrick's Cathedral. ,,Het afbeelden van een naakte Jezus is een voorbeeld van de vele verleidingen waar de moderne mens voor staat.'' De kunstenares, die zelf katholiek is opgevoed, reageerde schamper: ,,Er zijn zoveel naakte afbeeldingen van Jezus.'' Egan had haar `een tragische persoon' genoemd. Renée Cox dacht op haar beurt dat zijn bezwaren voortkwamen uit een hoog frustratieniveau. Hij zou er ook moeite mee hebben dat een zwarte vrouw aan het hoofd van de tafel stond.

De voorman van New York's 2,3 miljoen katholieken had onbedoeld de bedoelingen van het Brooklyn Museum of Arts goed aangevoeld. Schokken met Ophili en Cox is Lehmans doel niet, zegt hij. Hij wil wel de drempel verlagen zodat het cultureel uiteenlopende thuispubliek in Brooklyn een bezoekje aan het museum in zijn dagelijks ritme opneemt. Brooklyn was een trotse, onafhankelijke stad toen het museum werd opgericht. Het is al sinds 1898 een van de `boroughs' van New York, decennialang de eerste halte voor immigranten uit Midden- en Oost-Europa. Wie economisch succes had, vertrok op den duur. Brooklyn heeft een gestage economische neergang meegemaakt. Een eeuw later is het opnieuw een springplank voor immigranten. Nu komen zij van over de hele aardbol. Alle talen, rassen en geloven zijn er thuis.

Arnold Lehman: ,,Brooklyn is meer dan ooit een microkosmos van de wereld. Voordat ik hier kwam, zag ik dat het museum steeds bezorgd over zijn schouder keek naar het Metropolitan Museum en die andere musea op Manhattan waar de toeristen bij drommen op af komen, terwijl het de 2,5 miljoen inwoners van Brooklyn verwaarloosde. Wij kregen niet zoveel publiek uit Manhattan en ook niet uit Brooklyn: 200.000 mensen per jaar is weinig voor een museum van deze omvang, dat bij zijn bouw eind negentiende eeuw de ambitie had `het grootste museum van de wereld' te worden.'' Van het kolossale plan van destijds is overigens maar een zesde gebouwd.

Volgens Lehman heeft het museum, ondanks zijn te zwakke worteling in het eigen stadsdeel, raciaal en etnisch een relatief goed gespreid publiek. Een kwart van de bezoekers is zwart, latino of Aziatisch. In de meeste Amerikaanse musea ligt dat percentage op tien. ,,Door onze educatieve tentakels uit te strekken in de wijken hebben we dat bereikt. Mijn doel is een permanent vast publiek op te bouwen dat voor minstens de helft bestaat uit mensen van zeer uiteenlopende huidskleur en leeftijd. Niet door voortdurend spectaculaire tentoonstellingen te maken, maar door het museum anders in te richten, door barrières te slechten. Dit museum moet speciaal en gewoon tegelijk worden. Naar het museum gaan moet net zoiets worden als naar de film gaan. Je moet op een intelligente manier het bijzondere bewaren, terwijl je uitstraalt dat het niet alleen voor bijzondere mensen is.''

Heiligheid

In het Baltimore Museum of Art, waar Lehman achttien jaar directeur was, groeide het bezoek van 150.000 tot 350.000 mensen per jaar. Het aantal gezinnen dat `vriend' van het museum was, nam toe van 3.000 tot 11.000 en Lehman sprokkelde een kapitaal van 48,5 miljoen dollar bij elkaar om het museum op eigen benen te zetten. Hij kijkt terug en zegt, denkend aan Brooklyn: ,,Ik heb daar veel ondernomen om de heiligheid van het museumbezoek te verminderen. Mensen nemen hun kinderen twee keer per week mee naar de supermarkt, en als het meezit één keer per jaar voor een plechtig bezoek aan het museum. Ik ben een fanatiekeling als het er om gaat duidelijk te maken wat een kunstwerk kan doen in iemands leven. Maar mensen bereiken dat punt niet als je ze bij de voordeur niet het gevoel geeft dat zij zich in jouw museum thuis zullen voelen.

,,Veel collega's zijn het niet met mij eens. Zij houden kunst liever op een voetstuk, het moet iets speciaals blijven, boven ons verheven, een mysterie. Ik breng mensen liever samen om ze te laten praten over wat zij gemeen hebben. Er is een menselijk verhaal dat iedereen verbindt. Tweederde van de Amerikanen zien nooit een museum van binnen. Die maken dat dus nooit mee. Er zijn mensen die zeggen: je komt in een museum om een ervaring op te doen. Ik zeg: je brengt jouw ervaring mee naar het museum om een nieuwe ervaring op te doen.''

Alle afdelingen van het Brooklyn Museum of Arts zijn intussen diep doordrongen van deze nieuwe aandacht voor de bezoeker. Volgens Lehman is die in de meeste musea van oudsher een 55-jarige blanke, goed opgeleide, welvarende maar niet rijke vrouw. Zij hoeft niet weg te blijven, maar ,,wij moeten zorgen dat zij een hoop nieuwe vrienden zal tegenkomen in het museum''. Lehman geeft toe dat hij in zijn dertigjarige museumloopbaan naar die overtuiging is toegegroeid. Hij begon op de afdeling 20ste-eeuwse kunst van het Metropolitan Museum, ging toen vier jaar onder de progressieve burgemeester Lindsay werken voor achtergestelde buurten in New York, nam de leiding van het nieuwe Miami Arts Centre en kwam via Baltimore terug in zijn geboorteplaats Brooklyn. Daar bundelt hij zijn ervaring en reorganiseert het museum tot een kunstpaleis voor de wijk waar de bezoeker koning is. ,,Ik wil de deuren opengooien zonder dat ik verwacht dat de mensen toestromen omdat je de deuren opengooit. Daarom wil ik bijna agressief communiceren, lezen wat mensen over ons schrijven, luisteren naar wat zij te vertellen hebben.''

Voor het Brooklyn Museum of Arts betekent Lehman niet meer of minder dan een revolutie. Op alle afdelingen zijn curatoren bezig `hun' kunst opnieuw uit te vinden. Vorige week is de permanente opstelling van de afdeling Afrikaanse kunst opnieuw opengegaan, met meer gebruik van foto's, film en geluid en 250 van de 6.000 voorwerpen die de afdeling rijk is. Curator William Siegmann: ,,Dit was het eerste museum in de Verenigde Staten dat Afrikaanse objecten behandelde als kunst. Dat doen we nog steeds, we geven alleen meer context.'' Wijzend op een harig soort varkentje dat de ingang van de nieuwe inrichting domineert, zegt hij: ,,Het is een soort altaar, dat geestelijke krachten belichaamt. Maar, net als bij moderne kunst, gaat het om wat het uitdrukt. Naturalisme is er niet bij. Het object moet voor zichzelf spreken en je iets zeggen zonder dat je weet waar het voor werd gebruikt.''

Formica aanrechten

Begin september gaat de nieuwe opstelling van de Amerikaanse schilderkunst en kunstnijverheid open. Vooral van vóór 1945 is die verzameling ongeëvenaard. In oktober volgt een grote multimediale tentoonstelling over `Amerikaanse kunst in het atoomtijdperk, 1940-1960' onder de titel Vital Forms. Het gaat daarbij over kunst en gebruiksvoorwerpen die toen nieuw waren, van Rothko en De Kooning tot Saarinens TWA-terminal op Kennedy Airport, van formica aanrechten tot en met paperback boeken. In november brengt de Egyptische afdeling, ook een van de zwaartepunten in de schatkamer van Brooklyn, de grote tentoonstelling Eternal Egypt: Masterworks of Ancient Art at The British Museum, samengesteld door Edna Russman, curator van het museum in Brooklyn.

Iedere curator heeft zijn eigen interpretatie van de nieuwe wind die waait door de eerbiedwaardige instelling. Niemand spreekt de directeur tegen, al ziet de een iets meer dan de ander in de opvatting dat bezoekers centraal staan. Linda Ferber leidt de afdeling Amerikaanse kunst; zij was waarnemend directeur voordat Lehman werd benoemd. Zij zegt: ,,Arnold [Lehman] wil hiërarchieën doorbreken, de muren slechten. Het is de kunst het evenwicht te vinden tussen orde en chaos. Dat is de grote uitdaging bij deze operatie. Hoe je de zaken tentoonstelt is cruciaal. Een museum is ook theater – hoeveel, dat is de vraag. Aan de andere kant: dit museum heeft zulke gargantueske ambities gehad toen het werd opgericht, en zulke verbijsterende collecties opgebouwd sinds 1823. Het museum is niet veel jonger dan de republiek. Je moet listen verzinnen om daar iets pakkends mee te doen.''

Ferber vertelt enthousiast hoe in de toekomst `schrijvers, actievoerders, politieke leiders en studenten' bij tentoonstellingen betrokken worden om `andere stemmen dan alleen die van de curatoren te laten horen'. Dat is in zekere zin ook al gebeurd met de jonge Britten van de Sensation-tentoonstelling. Was hun brutaliteit te veel van het goede voor New York? Ferber: ,,Voor sommigen kennelijk wel. Je hebt van alles meer in deze stad, avant-garde én fundamentalisten van de achterhoede. Reden te meer voor het museum om te experimenteren, juist voor ons, underdog als we zijn: een van de grootste musea van het land, maar in New York niet waar iedereen het over heeft. Wij moeten altijd iets harder werken.''

De totstandkoming van het Brooklyn Museum of Arts was een toonbeeld van het Amerikaanse optimisme van de negentiende eeuw. Ver in de korenvelden werd een monumentaal complex neergezet, in de verwachting dat de stad Brooklyn het wel zou inhalen. Dat gebeurde ruimschoots. Het Brooklynse Instituut voor kunsten en wetenschappen werd een begrip in binnen- en buitenland. Nu doet het er alles aan opnieuw zichtbaar en toegankelijk te worden.

Mede daarom is de voorkant van het tempelachtige gebouw goeddeels aan het gezicht onttrokken. De imposante trap die vroeger de entree vormde (en uitkwam op de tweede verdieping), is in de jaren '30 gesloopt. Vijf kale voordeuren leiden nu naar een wonderlijke hal die uitmondt in twee donkere gangen. Lehman en zijn bestuur zoeken 60 miljoen dollar om een uitnodigende, amfitheaterachtige entree met veel glas tegen de voorgevel te bouwen. Die moet er over een jaar of twee zijn. Ook binnenin worden de nodige muren verzet.

En intussen houdt de directeur de stemming er in door iedere eerste zaterdag van de maand een spektakel te organiseren. Het museum blijft dan de hele avond open, er zijn gastsprekers bij de tentoonstellingen, en er is muziek, en veel volk. Vorige week was er een groep latino cowboys en een Afro-Haïtiaanse band, met gratis quadrille- en polka-dansles. Een eerdere topavond (8.400 bezoekers) dit jaar bood een lesbische klezmer-band en 18 leden van het Weense Festival Orkest. Dansleraren legden een uitgelaten publiek de beginselen van de Weense wals uit.

Arnold Lehman is er van overtuigd dat hij op het goede spoor zit: ,,Iedereen wil leren en niet worden behandeld alsof hij stom is. Niemand is graag in een omgeving waar alles geheim is. Daarom mag het autoriteitsniveau reacties niet ontmoedigen. We gaan alle bijschriften opnieuw formuleren en vaker vragen stellen, mensen helpen zelf hun eigen antwoorden te geven. Tegelijk moet dit museum bijzonder blijven. Er is veel, heel veel werk aan de winkel. Net zolang tot bijna niemand zegt: dat museum is voor mij irrelevant. We vallen voorwaarts en staan iedere keer weer op. Het werd bij de oprichting niet voor niets `het museum van de toekomst' genoemd.''

[streamliners] `Een museum is ook theater – hoeveel, dat is de vraag'

Was de brutaliteit van Sensation te veel van het goede voor New York?

    • Marc Chavannes