Benepen Boijmans

In 1999 is er stilletjes een sfeervol 17de-eeuws stilleven uit Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam vertrokken. De tulp in een Delfts-blauw vaasje, geschilderd door Dirk van Delen, zou de Frans-joodse familie Schloss toebehoren. Hoewel de juridische gronden nooit precies zijn verhelderd, zette het museum geen verdere vraagtekens bij de claim. Op een verzoek om nadere toelichting op het vertrek, onder meer gedaan door een conservator van het Rijksmuseum in Amsterdam, bleef Boijmans publiekelijk zwijgen.

Vorig jaar restitueerde hetzelfde museum ook twee aquarellen van Marius Bauer aan de erfgenamen van mevrouw F.S.B. Ornstein-Cohen. Een schilderij van Nicolaas van der Waay, uit de categorie `verdacht bezit', ging eveneens terug naar de rechtmatige eigenaren. Het museum had het in de oorlog van joden gestolen werk in 1942 aangekocht van een Duitser.

Het ging wel eens volstrekt anders in Boijmans. Zo vroeg de weduwe van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker die op de vlucht voor de nazi's in 1940 verongelukte, ooit of zij de kast terug mocht kopen die zij van haar man als huwelijksgeschenk had gekregen. Het meubelstuk stond jarenlang op de tochtige, schemerige gang naar de museumaula. Blijkbaar te min voor een plek op zaal, terwijl het voor de nabestaanden van Goudstikker uiteraard vooral emotionele waarde had. Aangezien menig Nederlands museum na de oorlog zijn collectie royaal verrijkt zag met uiterst kostbare schilderijen van Goudstikker, die als een échte visionair ook datgene had gekocht waar geen conservator nog oog voor had, zou je verwachten dat de kast als blijk van dankbaarheid werd afgestaan.

De weduwe kreeg een botte afwijzing. En het is diezelfde botheid die de onafhankelijke Stichting Museum Boijmans Van Beuningen nu opnieuw aan de dag legt tegenover de Amerikaan Walter E. Eberstadt, kleinzoon van een in Bergen-Belsen vermoord echtpaar. De 79-jarige Eberstadt claimde ruim twee jaar geleden drie werken van Jan Toorop, met name de tekening Godsvertrouwen. Een robuust mansportret (1907), ooit eigendom van zijn grootouders, dat gestolen werd door de nazi's, vervolgens via de Nederlandse kunsthandel in 1943 in Boijmans belandde en nu `verdacht' museumbezit is. Bepaald geen topwerk uit de collectie en als bezienswaardigheid kan het niet tippen aan dat verdwenen tulpstilleven. De Rotterdamse zakenman en collectioneur Joop van Caldenborgh, voorzitter van het stichtingsbestuur, weigert teruggave omdat hij te maken heeft ,,met de statuten en met de nagedachtenis van de bestuursleden die de tekening destijds in goed vertrouwen aankochten''.

In algemene zin dient, volgens de gemeente Rotterdam, bij gerede twijfel – en die is er – een kunstwerk te worden gerestitueerd. Naar verluidt is ook Boijmans-directeur Chris Dercon voorstander van teruggave. Maar intussen lijkt het stichtingsbestuur er nogal trots op te zijn dat het ondanks druk van de Amerikaanse overheid voet bij stuk houdt. Die misplaatste trots doet vermoeden dat zich achter de schermen èn achter de formele argumenten van Van Caldenborgh iets heel anders afspeelt. Gaat het om een machtsstrijd? Moeten de hakken soms in het zand worden gezet tegenover gemeente en directie?

Welnu, als dat zo is – en het gerucht is hardnekkig – dan kan het stichtingsbestuur beter plaatsmaken voor een minder benepen gezelschap. En voordat dat nieuwe, ruimdenkende bestuur aantreedt, zou burgemeester Ivo Opstelten van Rotterdam – die in een recent interview onderstreepte dat men toch vooral `het hart op de juiste plaats moet hebben' – de bejaarde heer Eberstadt persoonlijk die tekening in New York moeten overhandigen. Astublieft, mijnheer Eberstadt, en met excuses voor het gebrek aan compassie, aan generositeit, aan grandeur.

    • Marianne Vermeijden