Altijd schimpscheuten klaar

Nederland is van oudsher geen exportland van wijsbegeerte. Aan de weg timmerende filosofen als Hent de Vries en Herman Philipse brengen daar verandering in. Maar nu zijn zij onderling in een polemiek verwikkeld over zin en onzin in de filosofie. `Kan men de ratio bezoedelen en toch naar eer en geweten hoogleraar in de wijsbegeerte spelen?'

Filosofen die elkaar in de haren vliegen, het is een mooi gezicht. Zelden zitten ze om een schimpscheut verlegen. `Slaande waanzin' en `zwakzinnig geklets', noteerde de student Arthur Schopenhauer in 1811 in de kantlijn van zijn studieboek tijdens colleges van de grote Schleiermacher. Ook Hegel bediende zich van `woordstapelingen die tot nu toe alleen maar in het gekkenhuis vernomen werden', aldus deze oplettende student, geciteerd door Heleen Pott in haar Pessimisme als filosofie (Ambo, 1988).

Zou Schopenhauer de Amsterdamse hoogleraar metafysica Hent de Vries ook een obscurantist hebben gevonden die `de filosofie aan het kruis nagelt', zich schuldig maakt aan drogredeneringen en `onzalige woordspelletjes', en zodoende zijn vakgebied perverteert? De kwalificaties zijn recent en afkomstig van de Leidse hoogleraar filosofie Herman Philipse, op zijn beurt volgens De Vries een criticus die zijn `talent verspilt' met polemieken die `niet op het niveau zijn van Voltaire of Sartre, maar eerder op dat van Bam Bam', het kindje met de knots uit de tekenfilm The Flintstones.

Hun wederzijdse stekeligheden zijn te vinden in het wijsgerige tijdschrift Krisis, dat een themanummer wijdt aan het jongste boek van Hent De Vries, Philosophy and The Turn to Religion (1999). Onder de kop `De ik-lieg theologie van Derdevriesrida' veegt Philipse de vloer aan met het boek, dat volgens hem het redelijke discours opoffert aan een obscure poging postmoderne theologie te bedrijven in het voetspoor van de Franse denker Derrida, die zich in zijn werk steeds meer heeft gewend naar ethisch-religieuze thema's. Philipse verklaart zich een `openlijke vijand' van het boek en vraagt zich af: `Kan men de ratio bezoedelen en toch naar eer en geweten hoogleraar in de wijsbegeerte spelen? Wat moeten de studenten wel denken van deze pervertering van het vakgebied?' De Vries antwoordt zijn critici in een repliek die – het moet maar meteen gezegd – aanmerkelijk toegankelijker is dan zijn boek.

Religieuze idioom

Zoals altijd in polemieken van Philipse, gaat het om de grens tussen kennis en geloof, tussen godsdienst, wetenschap en filosofie. Volgens Hent de Vries is het religieuze idioom na decennia van dogmatische verkettering helemaal terug, een ontwikkeling die hij – naar analogie van de `wending naar taalfilosofie' – in de titel van zijn boek vat: Philosophy and The Turn to Religion. In Krisis licht De Vries toe dat het hem er uiteraard niet om gaat een bepaalde godsdienst nieuw leven in te blazen of een specifieke theologie te reanimeren, dat zou al te ouderwets zijn. Wat De Vries wil, is godsdienstige taal gebruiken als `een semantisch en symbolisch archief of potentieel' om de kenmerkende ervaringen en problemen van de moderne tijd te verwoorden.

Philipse ziet in de beginselverklaring van De Vries daarentegen vooral een `irritante retoriek van de radicaliteit'. Volgens hem ontwerpt De Vries een `supernegatieve theologie', die zich door het spelen van woordspelletjes, het parafraseren van Derrida en het verwerpen van concrete inhoudelijke uitspraken onttrekt aan elke redelijke kritiek. De Vries `nestelt zich als een luis in de pels van Derrida', aldus Philipse, die hem daarom met een – wat moeizame – ironisering van Franse woordgrappen herdoopt tot `Derdevriesrida'.

De aangebrande woordenstrijd tussen deze twee Nederlandse filosofen heeft een zekere logica. Beiden vertegenwoordigen op een bijna karikaturale manier de internationalisering van de Nederlandse filosofie. Traditioneel is wijsgerig Nederland vooral een importland geweest, waar stromingen uit Duitsland, Frankrijk en – in mindere mate – Engeland, werden opgezogen en verwerkt. Vanaf de jaren vijftig passeerden existentialisme en fenomenologie de revue, in de jaren zestig gevolgd door kritische theorie, structuralisme en, eindelijk, ook analytische filosofie. De commentaren van Nederlandse filosofen op die stromingen waren soms van uitzonderlijke kwaliteit, maar bleven beperkt tot het Nederlandse taalgebied. Logici en taalfilosofen publiceren wel sinds jaar en dag in het Engels, maar gezien het gespecialiseerde karakter van hun werk blijven ook zij onttrokken aan het zicht van een breder publiek.

Scherp profiel

Met De Vries en Philipse heeft de Nederlandse filosofenwereld ten langen leste twee filosofen met een scherp profiel, jong hoogleraar geworden en auteur van recente, in het Engels geschreven werken die met succes de exportkant hebben opgezocht. Philipse's Heideggers Philosophy of Being, een afrekening met het werk van de Duitse filosoof, verscheen bij Princeton (1998). Hent de Vries' studie is uitgebracht door Johns Hopkins, met aanbevelingen van twee Amerikaanse geestverwanten, Richard Rorty (`thoughtful and instructive') en Stanley Cavell (`extraordinary learning', `sophisticated'). Terwijl Philipse zich buiten de universiteit profileert met opiniestukken en polemieken, geldt De Vries vooral binnen de academische wereld als een onvermoeibaar organisator en netwerker.

Beiden hebben ook hun eigen wijsgerige persona. Philipse profileert zich angelsaksisch. Hij wil de scherpzinnige en ironische analyticus zijn, die langs de grenzen van de rede patrouilleert en hoofdschuddend het geklauter gadeslaat van theologen en andere dwaallichten die proberen over het hek te klimmen. Filosofie gaat over begripsanalyse en demarcatieproblemen en hoort derhalve eerder bij wetenschap dan bij kunst, literatuur of religie. De Vries, van oorsprong theoloog en filosofisch gevormd door het werk van Derrida, heeft juist een eigentijds francofiel postuur met voelsprieten naar Amerika, waar postmoderne Franse auteurs sinds de jaren tachtig in de letteren en sociale wetenschappen een grote populariteit genieten.

Uitmaken wie er `gelijk heeft' in hun polemiek is daarmee ook een lastige onderneming: het gaat om twee stijlen van filosoferen die vrijwel niets met elkaar gemeen hebben. Het werk van Philipse is argumentatief, gespitst op logica en redeneringen. De Vries op zijn beurt is een binnen Nederland onovertroffen navolger van de `deconstructieve' stijl: associatief, cryptisch, woordspelerig, en niet gericht op argumenten, maar op interpretaties van teksten. Dat maakt het werk van Philipse wèl per definitie beter te lezen dan dat van De Vries en dus ook, een democratisch voordeel, beter op inhoud te bekritiseren.

Want wie Philosophy and The Turn to Religion openslaat in de verwachting een helder exposé te krijgen over godsdienst in de filosofie, komt voor een taaie verrassing te staan. Het boek is een abstracte meta-tekst over filosofische teksten van Heidegger, Derrida, Levinas en anderen, waarin de lezer buiten adem naar reddingsboeien grabbelt. Erudiet en subtiel, zoveel nemen we van Rorty en Cavell gerust aan, maar tegelijkertijd gaat deze tekst zo in zichzelf op dat het onderscheid tussen subtiliteit en scholastiek, eruditie en pose voor een buitenstaander onmogelijk te maken is. Eén voorbeeld: `It is therefore only consequent, that the logic of the possible, of the possible even of the impossible, calls forth an equally equivocal movement of the potential and the potentializing movement of the possible in the direction of the überunmöglichste'.

Het is natuurlijk flauw om een flard te citeren zonder context, maar het probleem is dat de context in dit boek voortdurend wijkt. Voor wie niet is ingevoerd in het jargon van deze hermetische filosofie bevestigt zulk taalgebruik de clichés over postmoderne exegeten van Franse denkers, die in ontoegankelijkheid hun leermeesters nog overtreffen.

In De Vries' voorwoord is de inzet van het boek nog duidelijk. Het religieuze idioom, meent hij, is fundamenteler en bestendiger gebleken dan de seculieren die ermee probeerden af te rekenen, zoals Freud of Marx. Het is `rijker' dan het humanistische jargon van autonomie, zelfbepaling en beheersbaarheid wil doen geloven, en kan van grote waarde zijn voor allerlei hedendaagse vraagstukken als multiculturalisme, globalisering en de rol van de nieuwe media. Daarbij gaat het niet om een regressie, of een rehabilitatie van oude dogmatieken, maar om het activeren van het `potentieel' van religieuze taal. Die paradoxale beweging ván godsdienst weg en ernaartoe, wordt door De Vries gevangen in het begrip `adieu' van de joodse filosoof Levinas: tegelijk een vaarwel aan God (adieu), en een weg naar God (à Dieu).

Dit gaat allemaal over taal, niet over de werkelijkheid. Over concrete godsdiensten zegt De Vries hoegenaamd niets. Maar wie Philosophy and The Turn to Religion leest, komt er evenmin achter wat De Vries nu eigenlijk onder `religie' verstaat, behalve een idioom dat kennelijk nog retorisch potentieel heeft – maar waarom dan niet evengoed een wending naar esthetica, prehistorie of astronomie? Ook voorbeelden heeft hij achterwege gelaten, erkent hij in Krisis, dat is werk voor `interdisciplinaire projecten waarin filosofen, antropologen, mediaspecialisten, godsdienst- en literatuurwetenschappers de handen ineenslaan'.

Wending naar godsdienst

Dat klinkt programmatisch, en het brengt Anton van Harskamp in Krisis ertoe, De Vries ervan te betichten dat hij `een eigen niche' wil, om `met zijn eigen, aan elke bepaling ontsnappende religie aan culturele analyse te gaan doen'. Heeft Philipse althans nog de ambitie voor een open forum van intellectueel belangstellenden te schrijven, De Vries zou dan buiten de muren van zijn eigen postmoderne academie nauwelijks meer te volgen zijn. Moet de titel van dit boek dus worden opgevat als een voornemen, of een wens?

Daar lijkt het wel op. Een `wending naar godsdienst' valt in de filosofie – buiten het deconstructie-denken waar de Vries uit put – niet eenvoudig waar te nemen. De filosofie is steeds specialistischer geworden – en heeft zich juist verder afgewend van godsdienst en theologie, behalve als onderzoeksobject. Ook het eerherstel voor theologische argumenten bij analytici als Alvin Plantinga en Richard Swinburne wordt bereikt met niet-religieuze, logische argumenten. Zeker de analytische filosofie is dicht tegen de wetenschappen aangekropen – al is ze allang niet meer synoniem met het heetgebakerde logisch positivisme dat door sommige helden van de geest in Nederland nog altijd wordt aangezien voor het summum van analytische scherpzinnigheid.

Tegelijkertijd is er de postmoderne filosofie van Lyotard, Derrida en anderen. Een stroming die de nadruk legt op retoriek in plaats van analyse en die als nazaat van het neomarxisme en Heideggers cultuurkritiek de westerse filosofie ontmaskert, en ironiseert, als een vertoog van macht en geweld. Van het continent heeft deze filosofie de overstap gemaakt naar Amerika dat sinds de jaren tachtig voorop loopt met het vak cultural studies, een combinatie van filosofie, maatschappijkritiek en tekstwetenschap.

Voor Herman Philipse zit de wereld daarentegen nog helder in elkaar: je hebt goede filosofie en je hebt onzin, die ontstaat door grammaticale verwarring, denkfouten en gegoochel met woorden. Het is, in een notendop, de kritiek die Philipse richt aan het adres van Heidegger in Heideggers Philosophy of being, zijn meest ambitieuze werk tot nu toe. Het boek staat in scherp contrast tot dat van Hent de Vries, omdat het de lezer in staat stelt de auteur nauwgezet te volgen, zelfs zo goed dat kritiek zich onstuitbaar opdringt.

Philipse's elegante analyse van Heideggers oeuvre in vijf leitmotieven, in het eerste deel van zijn boek, is nog verbluffend instructief en verhelderend. Met name zijn kritiek op Heideggers `diepe' wereldgeschiedenis, en diens gebruik van alomvattende `wereldbeelden' (waardoor wij in een geheel andere wereld zouden leven dan, bijvoorbeeld, de oude Grieken) is exemplarisch voor een subtiele filosofische aanpak. Een verdienste van het boek is bovendien dat het duidelijk maakt dat Heidegger allesbehalve `onleesbaar' is, maar in zijn werk op een onmiskenbaar eigen manier thema's bijeenbrengt uit de hele Europese filosofie, van Aristoteles tot Descartes en Kant.

Philipse reconstrueert Heideggers werk uiteindelijk als een poging wijsgerige ruimte open te houden voor het leven zoals dat dagelijks wordt ervaren, in een door techniek en wetenschap onttoverde wereld. Hij zou zelfs hebben gehoopt op een nieuwe godsdienst: een gerevitaliseerd lutheraans christendom, daarna een messianistisch nazisme, en na de oorlog, in een gespiritualiseerde nagloed van het nazisme, een mystieke religie van het zijn.

Heideggers Philosophy of being is een weergaloos intellectueel zelfportret, met de sterke èn zwakke kanten van Philipse's wijsgerige personage, dat maar niet kan kiezen tussen verdieping en polemiek, ernst en ironie. Zo is zijn kritiek vaak vlijmscherp, maar door de badinerende toon toch contraproductief, en wekt hij regelmatig ten onrechte de indruk te spreken namens `de' analytische filosofie. Moderne analytici staan veel minder dogmatisch tegenover de thema's die Heidegger in zijn merkwaardige Zwarte Woud-taal aansneed dan Philipse wil doen geloven. Thomas Nagel beschrijft bijvoorbeeld in The View from Nowhere het perspectief van de eigen dood op een manier die onweerstaanbaar aan de doodsanalyse van Heidegger doet denken.

Dat zou Philipse niet hoeven verbazen. Volgens hemzelf probeerde Heidegger immers met zijn eerste hoofdwerk Sein und Zeit een verheldering te bieden van het menselijk bestaan zoals dat wordt beleefd, vóór de objectiverende categorieën van de wetenschap. Dat project is niet irrationeel, en wordt juist door analytische filosofen serieus genomen. Het meest recente boek van de analyticus Barry Stroud, The Quest for Reality, is een magnifieke poging het klassieke onderscheid tussen `objectieve' eigenschappen van voorwerpen (grootte, vorm) en `subjectieve' (kleur, reuk) te ondergraven – een subversieveonderneming die ook te vinden is in Sein und Zeit. Philipse, daarentegen, wil aantonen dat Heidegger maar het liefst zo snel mogelijk als afval over het hek van de filosofie moet worden gegooid.

Woede

Toch blijft Heideggers Philosophy of Being een inspirerend boek, dat mijlenver afstaat van het gemakzuchtige Heidegger-knuppelen dat soms nog zo populair is in Nederland. Hoe helder is Heidegger van Janssen Perio is zo'n boek, waarin een auteur zich honderden pagina's lang opwindt maar niets aan het debat weet toe te voegen. Perio gaat in een `mengeling van woede en verbijstering' tekeer tegen de `wartalige chaos' van Heideggers `poeha-proza' en tegen de `leugenachtigheid of valsheid' van diens `pseudosofie', die wordt omarmd door `talloze Duitsers met boter op het hoofd op bloed aan de handen'. Inhoudelijk doet hij Heideggers werk in een handomdraai af als een betekenisloze tautologie – zonder zich een moment af te vragen wat daarmee nu is gezegd. Alsof `tautologie!' roepen een panklare manier is om zin en onzin te onderscheiden. Dat is het niet, zeker niet sinds het revolutionaire werk van de latere Wittgenstein of de kritiek op het logisch empirisme van de Amerikaan Quine. Maar bijlezen is voor zeloten teveel gevraagd. In plaats daarvan gaat Perio tekeer als een exegeet met de ziekte van Tourette, wiens betoog voortdurend wordt onderbroken door oprispingen van geschimp en gescheld.

Deze onbehouwen vorm van `filosofie' hebben we gelukkig afgeleerd – Philipse en De Vries zijn sophisticated; het is aan beiden te merken, bij De Vries staat het bovendien op de achterflap. Helaas zijn ze ook alle twee zo uiteenlopend geprofileerd, dat ook hun confrontatie weer iets krijgt van een schimmengevecht, een rituele botsing op de markt voor exportfilosofen. Eén dat wordt `gewonnen' door Philipse, dat wel, omdat bij hem de schim ten minste nog te onderscheiden is van het gevecht. Wie de schimmen uit het boek van Hent de Vries wil verdrijven, blijft met lege handen achter.

Hent de Vries: Philosophy and The Turn to Religion. (1998) Johns Hopkins University Press, 475 blz. ƒ79,– (pbk) Herman Philipse: Heideggers Philosophy of Being (1999). Princeton University Press, 555 blz. ƒ79,– (pbk) Janssen Perio: Hoe helder is Heidegger? Eburon, 298 blz. ƒ69,–