Aanpassing belasting artiesten

Staatssecretaris Bos (financiën) wil de omstreden fiscale `artiestenregeling' voor professionele podiumkunstenaars aanpassen. Het huidige systeem leidt tot een enorme bureaucratie, kostenverhogingen en vermindering van werkgelegenheid.

De zes maatregelen die staatssecretaris Bos vandaag in het kabinet aan de orde stelt, betekenen een reparatie van het stelsel dat voortvloeit uit de op 1 januari ingevoerde nieuwe belastingwet. Eerder kwam Bos in een brief aan de Tweede Kamer de amateurmusici, zoals fanfares, koren en harmonieorkesten, tegemoet na hun massale verzet tegen de nieuwe wet. Bos zei toen na een demonstratie van musici in Den Haag dat de gewraakte gevolgen van de regeling `onbedoeld' waren.

Vertegenwoordigers van kunstorganisaties, poppodia en belastingadviseurs vonden de in februari aangekondigde aanpassingen voor amateurmusici nog te vaag. Het gaat daarbij om de hoogte van de onbelaste onkostenvergoeding. Bos zei destijds toe ook maatregelen te zullen nemen tegen financiële nadelen voor musici ,,in het schemergebied tussen amateurisme en professionaliteit.''

Ook de grote podia en hun organisaties maakten ernstig bezwaar tegen het nieuwe systeem voor afdracht van belastingen en sociale premies. Zo dreigden toporkesten als de Wiener Philharmoniker en het London Symphony Orchestra niet langer in het Amsterdamse Concertgebouw op te treden wegens de enorme administratieve rompslomp.

Een orkest of ensemble wordt in de huidige fiscale regeling niet beschouwd als één geheel, maar als een verzameling individuen, waarbij niet alleen voor elke musicus afzonderlijk een werkvergunning moet worden aangevraagd, maar ook een sofi-nummer en een balasting- en teruggaveformulier. Bovendien maakt het de orkesten tijdens vaak lange buitenlandse tournees onmogelijk om bij ziekte snel andere musici in te zetten. Bos wil een systeem waarbij een optreden van een gezelschap met één vergunning kan worden afgehandeld.