Weer scharrelen in Roombeek

De plannen voor het verwoeste Roombeek tekenen zich af. Als alles meezit, zal de Enschedese wijk als een Phoenix uit zijn as verrijzen.

ENSCHEDE MAAKT PLANNEN. Bijna een jaar na de explosie van de vuurwerkfabriek S.E. Fireworks is de stad in de greep van het dilemma waar ook het zwaar getroffen Rotterdam zich na de oorlog voor gesteld zag: herstellen we de stad in de oude luister of bouwen we een nieuwe stad naar eigentijdse normen? De Amsterdamse stedenbouwkundige Pi de Bruijn, die de wederopbouw van de wijk Roombeek zal vormgeven, moet behoedzaam laveren tussen de neiging tot nostalgie die de betrokkenen van een ramp vaak parten speelt en een hang naar moderniteit. De bewoners van Roombeek zien het liefst de rode puntdaken van hun wijk terug, de gemeente Enschede voelde meer voor sloop van wat er nog over was van de wijk. De Bruijn staat, om het gechargeerd te stellen, voor de taak Anton Pieck met het modernisme te verenigen.

Reconstrueren mag niet, is een opvatting die in restauratiekringen breed wordt gedragen. De regel heeft een belangrijke uitzondering, vertelt prof. F. van Voorden van de Technische Universiteit Delft, die door De Bruijn werd gevraagd een historische structuuranalyse van het rampgebied in Enschede te maken: bij rampen door natuurgeweld of na een oorlog wordt vaak teruggegrepen op zo natuurgetrouw mogelijk nabouwen van de bouwwerken die verloren zijn gegaan. ,,Emotionele factoren zijn na dergelijke pijnlijke rampen doorslaggevend bij de wederopbouw.''

Een voorbeeld daarvan in Nederland is volgens Van Voorden te vinden in het Gelderse plaatsje Borculo, dat eind jaren twintig door een wervelstorm werd verwoest en bijna volledig is herbouwd in de bouwstijl van voor de ramp. De recente restauratiewerkzaamheden in de Duitse stad Dresden zijn een ander voorbeeld van de al te menselijke behoefte, soms jaren na dato nog, om de sporen van een pijnlijke gebeurtenis grondig uit te wissen. De ruïnes van de stad die in februari 1945 door een bommentapijt werd verwoest, worden momenteel hersteld in de oude 18de-eeuwse luister. De Frauenkirche komt terug, op open plekken wordt in de trant van 18de-eeuwse bouwstijlen gebouwd en brandsporen worden zoveel mogelijk uitgeveegd, aldus Van Voorden.

Meestal is het nostalgie die de boventoon voert na een ingrijpende ramp, weet Van Voorden. ,,Dat zag je in Middelburg, Rhenen en Wageningen bijvoorbeeld. Na de oorlog zijn die steden nagenoeg volledig herbouwd in de oude stijl.'' In Enschede overheerste een andere reactie, vertelt De Bruijn. ,,Men dacht: er valt niks meer van te maken. We zetten er een schutting om en gooien de boel plat.'' Zonde, vond Twentenaar De Bruijn, die de opdracht vorig jaar kreeg vanwege zijn ,,inlevingsvermogen in de ziel van de stad''.

De stedenbouwkundige constateerde op een van zijn tochten in asbestpak door het getroffen gebied dat er stukken behouden waren gebleven die een `aandoenlijke schoonheid' hadden. Zoals de achttien Amsterdamse-Schoolhuisjes aan de Lasondersingel. De Bruijn: ,,De huizen zijn markant, maar wat belangrijker is: ze liggen aan de singel! Als je Enschede zegt, denk je aan de prachtige met bomen gerande singel uit de jaren twintig. Ik beschouw die gordel om de binnenstad als een van de mooiste stedenbouwkundige ingrepen van Nederland.''

En dan is er nog het zogenoemde Roomveldje, dat De Bruijn graag zou willen redden. Het is het enige stuk waar nog zo'n 120 wooneenheden overeind staan, ongeveer de helft van de arbeidershuisjes van het tuindorpje. De woningcorporatie die de huisjes verhuurde, zou ze het liefst slopen. ,,De woningen voldoen niet aan de markteisen. Ze zijn eenvoudigweg te klein'', zegt Petra Borsboom van woningbouwvereniging De Woonplaats. De Bruijn: ,,De huisjes zijn heel geschikt voor ouderen en zelfs als eengezinswoning kunnen ze goed dienst doen: ze hebben drie kamers en een zolder''.

Slopen is volgens De Bruijn onnodig kapitaalverlies. ,,Mijn filosofie is: behoud wat waardevol is en toon respect voor het eigen verleden, voor het industriële erfgoed bijvoorbeeld. De oude textielfabrieken van Enschede zijn uniek. Tilburg, ook een oude textielstad, is bezig er trots op te worden en je ziet dat het vruchten begint af te werpen. Enschede is voorheen soms ruw met het eigen verleden omgesprongen. In de binnenstad is wel erg snel en veel gesloopt. Waar is dat oude politiebureau nou ineens gebleven?, denk ik bijvoorbeeld wel eens als ik door de stad rij. Dat is onderdeel van de volksaard. Een boer is ook niet cultuurbewust van wat er op zijn erf staat – niet dat ik de Enschedeërs wil wegzetten als boeren, maar op dit punt is er een overeenkomst.''

Overigens zal de wederopbouw niet alleen in het teken van behoudzucht staan. Zeker 90 procent van de bebouwing zal nieuw zijn, zegt De Bruijn. De moeilijkste opgave waarvoor de stedenbouwkundige zich dan ook gesteld ziet, is hoe hij het leven in de wijk terugkrijgt, die oude ,,sfeer van Bartje'', de plezierige groezeligheid van Roombeek, waar zowel de beter gesitueerden als de droesem van de stad zich in thuis voelden.

Die opdracht heeft De Bruijn ook uitdrukkelijk van de bewoners meegekregen. Ilse Hambruch van de Belangenvereniging Slachtoffers Vuurwerkramp Enschede vat de wensen die op intensieve inspraakavonden naar voren kwamen nog eens samen: ,,We willen de rommeligheid van een Belgische wijk, een normale wijk op menselijke maat, ontworpen aan de keukentafel, liefst uitgevoerd in het Twentse steenrood. Gewone huizen met puntdaken en tuinen, waar we een beetje kunnen scharrelen, orchideeën kweken of kippen fokken bijvoorbeeld. Vooral niet: de eenduidigheid van een betonnen Vinex-wijk met honderd dezelfde huizen in het gelid.''

De Bruijn wil honderden kavels uitgeven, waar mensen vrij hun huis kunnen laten bouwen – het zogenaamde `wilde wonen' – en hij is ,,happy'' met de keuze die is gemaakt om het oude stratenplan te handhaven. Dat vloeide min of meer voort uit de garanties van de gemeente Enschede aan de slachtoffers op terugkeer. Huiseigenaren behielden het recht op hun originele kavel of een vergelijkbaar stuk grond, zo is beloofd.

Volgens De Bruijn verbindt het oude stratenplan de wijk straks weer op een natuurlijke manier met de omliggende wijken. ,,Nieuwbouw volgens harde projectontwikkelingsregels op zo'n groot oppervlak – bijna 65 hectare, ongeveer evenveel als de hele Enschedese binnenstad – riskeert in zichzelf gekeerd te raken. Ik vergelijk het wel met een harttransplantatie die een hoog afstotingsrisico heeft. De straten zijn de slagaders.''

Van de ervaringen in Rotterdam heeft hij zich dan ook weinig aangetrokken. ,,Rotterdam heeft gekozen voor een totaal nieuw stratenplan en lijdt al vijftig jaar aan de deceptie van het modernisme en radicale vernieuwing.''