Tussen de fabrieken klinkt overal muziek

In textielstad Enschede is van oudsher veel aandacht voor cultuur. De schoorstenen vormden muzikanten, schrijvers en dichters.

TIENTALLEN MEER DAN vijftig meter hoge schoorstenen, zwarte rookpluimen die de hemel verdonkeren, rode daken van fabrieken, industriële bedrijvigheid waar je ook kijkt. Zo zag Enschede in Oost-Nederland eruit in de jaren twintig en dertig, tot diep in de jaren zestig. De schilder J.H.C. Heijenbrock legde in 1916 dit beeld vast. Hij noemde het De fabrieksstad Enschede.

Enschede textielstad; Enschede fabrieksstad. Maar ook: Enschede muziekstad. In de jaren zestig telde Enschede na Den Haag de meeste bandjes van Nederland. The Buffoons, Teach In en Sun Set brachten het tot enige landelijke bekendheid. Deze mengeling van rhythm and blues en pop heette `textielbeat'. Je zou ook van `textielblues' kunnen spreken. In mijn middelbareschooltijd in Enschede heb ik ze weleens zien optreden. Ik herinner me dat de beat van bijvoorbeeld The Buffoons traag was, er hing een lethargische sfeer omheen.

Maar Enschede was niet de stad van de textielbeat alleen. In Schouwburg Concordia aan de Oude Markt, een prachtige klassieke bonbonnière, was Adagio Hammerklavier van Hans van Manen te zien. Een danser, danseres, Beethovens slepende muziek en vooral veel witte gordijnen en doeken, zijdeachtig glanzend en golvend, die je opeens deden beseffen hoe schoon en helder dat textiel kon zijn uit die grauwe fabrieken.

Van vroeg af aan is Enschede een stad van de muziek geweest. De textielbaronnen, die veelal optraden als beschermheren van de kunst, beseften goed dat culturele vorming van de fabrieksarbeiders enige prioriteit genoot. Harmonieorkesten, drumbands, popbands, talrijke muziekkoren en zangverenigingen hebben in de stad en wijde omgeving een bloeiende traditie.

Wie opgroeide in een van de drie Twentse industriesteden, hoefde in cultureel opzicht weinig te missen. Muziek was overal voorhanden. In de kantine van een der stoomspinnerijen vestigde zich Jeugd en Muziek, een lofwaardige instelling die de jeugd kennis wilde laten nemen van klassieke en hedendaagse muziek. Daar woonde ik een van de eerste uitvoeringen van de onstuimige free jazz van Misja Mengelberg bij. Liggend op de grond met stokken en ongewone muziekinstrumenten bouwde hij bizarre werelden van klank op. Theatergezelschappen uit Amsterdam of Arnhem brachten reisvoorstellingen, zoals Baal met De rit over het Bodenmeer van Peter Handke of Edmond Classen die Don Juan komt uit de oorlog van Horváth speelde.

Ondertussen kan zonder bezwaar gesteld worden dat Enschede, na Amsterdam, de tweede muziekstad van Nederland is. De stad beschikt over een eigen opera, de Nationale Reisopera, de opvolger van Opera Forum. Voorts zijn het Orkest van het Oosten, het Muziekcentrum, een podium voor popmuziek Atak en de Enschedese Muziekschool er gevestigd.

De ambitie van de stad reikt verder. Straks kan de stad bogen op een nieuw Muziekplein vlak bij het station en de Oude Markt, de bloeiende stadskern met zijn uitgaansleven. Er komt een cultuuras die dit plein verbindt met Het Rijksmuseum Twenthe, noordelijk gelegen. Het ontwerp voor dit muziekkwartier spreekt van een `culturele lijn' van enkele honderden meters, langs een nieuw te bouwen Schouwburg annex Muziektheater, het bestaande Muziekcentrum, de Kunstacademie, de Twentse Schouwburg, het Vestzaktheater, het Conservatorium plus een nieuw Poppodium en zes popstudio's.

Ook theatergroep De Nieuwe Koning, die zich nu vooral richt op scholen, hoopt een vast onderkomen te krijgen. Voor filmliefhebbers werd onlangs, op de grens tussen Enschede en Hengelo, de bioscoop Cinestar geopend, een onderdeel van het leisure park Miracle Planet.

Het Rijksmuseum Twenthe grenst aan de wijk Roombeek, zo zwaar getroffen door de vuurwerkramp. In een van de zijvleugels is een Ontmoetingscentrum ingericht. Het is een stille, gewijde plek geworden waar roerende kindertekeningen en foto's hangen. In alle rust kunnen bezoekers er de gedichten van Gerrit Komrij en Willem Wilmink lezen. De laatste, woonachtig in Enschede, schreef `Enschede huilt': `Een buurt, die wel veel zorgen had,/ maar die ook vol verhalen zat,/ vol humor en gezelligheid,/ die buurt zijn we voor eeuwig kwijt.'

Enschede vormt ook het decor in boeken van Jan Cremer en Willem Brakman. In romans als Kind in de buurt en Het doodgezegde park schetst Brakman een beklemmend portret van deze stad waar het veel regent, waar torenflats worden afgewisseld met afbraakterreinen. Er ligt iets onheilspellends over de stad, zoals in deze passage over de kunstenaar Oud die naar zijn geliefde etablissement gaat: `Het café lag aan de rand van de puinvlakte, bedreigd, al verdoemd, maar nog gespaard.' Een zin die nu bijna een omineuze lading krijgt. Ik Jan Cremer maakt melding van een `roetzwarte fabrieksstad'. En ook: `De stad waar ik geboren werd bestaat uit fabrieken, boeren en rook. Overdag was het in de straten doodstil, iedereen werkte in de fabrieken, alleen wat vrouwen liepen over straat en het was er altijd rotweer.'

Van al de schoorstenen die Heijenbrock schilderde, staat er nog een enkele als monument overeind, zoals die van het Museum Jannink, een voormalige spinnerij uit 1900. Nu zijn daar tentoonstellingen te zien over het Twentse industrietijdperk, dat dramatisch eindigde aan het eind van de jaren zestig. Leegstand, sloop, verval van de fabrieken volgde. Op de plaats van een andere textielfabriek verrees het Muziektheater. Van `roetzwarte' industriestad is Enschede omgetoverd tot Muziekstad.