Massamoord Kosovo ging doofpot in

In Joegoslavië zijn twee politiegeneraals weggestuurd na de onthulling dat in 1999 een vrachtwagen met vijftig lijken van Kosovaarse burgers uit de Donau is opgevist; de zaak werd indertijd in de doofpot gestopt.

De affaire kwam aan het licht dankzij een lokaal Servisch blaadje dat zich specialiseert in misdaadverslaggeving, de Timocka Krimi Revija. Op basis van gesprekken met ooggetuigen meldde het onlangs dat op 6 april 1999 – rond twee weken na het begin van de Kosovo-oorlog – bij het dorp Tekija een vrieswagen uit de Donau werd gehaald. Toen de met kettingen afgesloten deuren werden geopend, bleken zich in de laadruimte vijftig lijken te bevinden – die van vrouwen, bejaarden en kinderen. De lijken van de vrouwen waren gekleed in de pofbroek die islamitische – Albanese - vrouwen in Kosovo dragen; de andere lijken waren naakt. De vrieswagen was blijkens de nummerplaat geregistreerd in Pec, in Kosovo.

Een bij de berging betrokken duiker vertelde de Timocka Krimi Revija dat hij de autoriteiten in het nabijgelegen Kladovo had gewaarschuwd. De volgende dag werden de lichamen opgehaald door een vrachtwagen uit Belgrado. De uit de Donau opgehaalde vrachtwagen werd opgeblazen in een trainingskamp van de speciale anti-terreurpolitie.

Volgens Servische media kreeg de plaatselijke politie vanuit Belgrado opdracht de zaak stil te houden en onderzoek te staken. Een onderzoeksrechter moest de ontdekking van de lijken `vergeten'. De vondst van de lijken werd een staatsgeheim.

De twee gisteren van hun functie ontheven politiegeneraals waren daar volgens het blad Politika verantwoordelijk voor. Volgens het blad moet een aantal verantwoordelijken zich nog voor de rechter verantwoorden.

Inmiddels heeft de chef van de Servische veiligheidsdienst, Sreten Lukic, een onderzoek geopend. Overigens was Lukic ten tijde van het gebeurde, in 1999, chef van de Servische politie in Kosovo.

Algemeen wordt aangenomen dat het bij de vijftig slachtoffers ging om Kosovo-Albanese burgers die na het begin van de Kosovo-oorlog uit hun woningen in of bij Pec werden verdreven en daarna werden vermoord. Pec was een van de belangrijkste `epicentra' van de massale etnische zuiveringen die na het begin van de oorlog op 24 maart 1999 op gang kwamen. Sinds de oorlog worden er volgens een recente bekendmaking van het Internationale Rode Kruis nog 3500 Kosovaren vermist, voornamelijk Kosovo-Albanezen.