Linkse rem op Frans gas

De Europese Commissie sleept Frankrijk voor het Hof van Justitie in Luxemburg omdat Parijs de nationale gasmarkt niet op tijd heeft geopend voor concurrentie. Dat heeft puur binnenlandse politieke oorzaken.

Laurent Fabius, de socialistische maar liberaal ingestelde Franse minister van Financiën, wist het in december vorig jaar nog zeker. Een dienst met een publieke taak kon volgens hem ,,zonder taboe'' banden aangaan met andere bedrijven. De dienst die hij op het oog had, was Gaz de France (GdF), in grootte de derde gasboer van Europa.

Zeker, voor de landelijke verkiezingen die Jospin en zijn `veelvormige' linkse coalitie aan de macht brachten, in 1997, was de kiezer met klem beloofd dat France Télécom, Électricité de France (EdF) en GdF 100 procent staatsbedrijven zouden blijven. Zo hadden de Fransen, met name de machtigste communistische bond CGT, het immers graag.

Prompt na de verkiezingen tilde men minder zwaar aan de traditionele gevoeligheden en werd France Télécom in rap tempo de vrije markt opgestuurd, met een vooraanstaande positie aan de beurs als triomfantelijk blijk van gebroken beloftes.

Wat de energiebedrijven betreft aarzelde Jospin aanvankelijk. Geruggesteund door de economische voorspoed en de liberale wind die onder invloed daarvan ook in Frankrijk begon te waaien, zag de premier echter zijn kans schoon om, na de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart, gevolg te geven aan de Europese richtlijnen, die een volledig concurrerende markt voor 2005 decreteren.

De blauwdrukken lagen klaar en zouden in juni, voor het reces, aan de Assemblée worden voorgelegd. Als eerste opmaat zouden ,,strategische partners'' als EdF, TotalFinaElf en het Noorse Statoil een beperkt belang kunnen nemen in het bedrijf, dat overigens vooral distribueert en slechts 5 procent van zijn omzet zelf produceert. GdF zou daardoor voorlopig nog onder staatscontrole blijven.

Met een jaarlijkse omzet van ruim 9 miljard euro liep Gaz de France gevaar geplet te worden onder grootgewichten EdF en TotalFinaElf (met respectieve jaaromzetten van 32 miljard en 116 miljard euro) en daarom mocht hun belang niet groter dan 15 procent elk worden en zou voor buitenlandse en particuliere investeerders (het personeel) een belang van tien procent gereserveerd worden. Het zou vooral een `energetische' dan wel `industriële' en ook wel `sociale' operatie moeten worden, eerder dan een financiële, en in een beursgang voorzagen de plannen dan ook niet.

Toen werden de verkiezingen gehouden en bleek in het linkse kamp vooral extreem-links het goed te doen. Ten koste van de socialisten en coalitiepartner PCF, de communistische partij. Was de PCF, samen met voormalig regeringspartner de Mouvement des Citoyens, al kritisch over openbreking van de energiemarkt, nu kwam er regelrecht verzet op gang.

En dat niet alleen: ook premier Jospin zelf trok uit de afstraffing van de kiezer de conclusie dat de liberalisering maar beter uitgesteld kon worden. Weer met verkiezingen de landelijke van volgend voorjaar – als volgend station.

In politiek opzicht is de bom daarmee niet gedemonteerd, integendeel. Nog afgezien van de felle reactie en de mogelijke repercussies van `Europa' is Jospins beslissing een klap in het gezicht van zijn eigen minister van Financiën. Die is een verklaard voorstander van de liberalisering van GdF – in het belang van de consument, maar ook in dat van de werknemer, zoals hij nooit vergeet erbij te zeggen.

In februari ontkende Fabius nog met klem geruchten als zouden de liberaliseringsplannen van de baan zijn. Nu zegt hij timide dat ,,het denken'' ten departemente doorgaat. Daarbij voedt Jospin de twijfel aan zijn eigen politieke moed en belast hij zijn campagne voor volgend jaar opnieuw met een explosief thema.