KANGKONG EN PETJIL

Kangkong – ook dagoe- of dagublad genaamd – is een bladgroente. Ik geef twee recepten: voor kangkong sec en als onderdeel van petjil. Petjil wordt in Suriname meestal als snack gegeten, bijvoorbeeld na school. Het is daar te koop op straat, verpakt in bananenblad. Petjil doet denken aan gado gado. De minder reguliere ingrediënten uit bovenstaande lijst zijn te krijgen op multiculturele markten of in Surinaamse winkels.

Eerste recept: Was de groente schoon en snijd de harde onderkant van de stelen (om en nabij de tien centimeter) af. Pluk de blaadjes van de stelen en snijd of breek de stelen in stukken van drie tot vier centimeter lang. Pel en snipper ui en knoflook. Snijd de peper in stukjes. Verhit olie in een wok of ruime pan en bak hierin de stukjes ui, knoflook en peper twee minuten lang. Doe dan de kangkong erbij en roerbak de groente in een paar minuten gaar. Verkruimel het maggiblokje boven de groente. Alles nog eens omscheppen. Eet er masalakip en rijst bij.

Petjil: Maak de groenten schoon. Voor kangkong, zie boven. Haal van de kousenband de uiteinden af en snijd de bonen in pinklange stukken. Verwijder bij de taugé eventuele vliesjes en worteldraadjes. Kook de groenten afzonderlijk in ruim kokend water beetgaar. De kleur moet groen blijven. Reken voor kangkong op twee tot drie minuten kooktijd, voor kousenband op vijf tot zes en taugé op één minuut. Laat de groenten in een vergiet uitlekken. Bij petjil hoort pindasaus. Die kunt u maken door pinda's te bakken, fijn te stampen en te mengen met knoflook, kentjor (gedroogde Javaanse gember), asem (tamarinde), trassi, peper, bruine suiker en een lepel azijn. U kunt ook pindakaas gebruiken of kant-en-klare petjilsaus met tamarinde en Javaanse specerijen. Breng voor de saus een kop water met de pindasaus al roerend aan de kook. Verdun de saus met water tot de gewenst dikte. Laat de groenten afkoelen tot lauw of koud en schik ze op een schaal. Geef de saus erbij.