Europa met of zonder einddoel

De Duitse bondskanselier Gerhard Schröder heeft een nieuwe impuls gegeven aan de discussie over de toekomst van de Europese Unie. Integreren, met of zonder einddoel.

De Franse president Jacques Chirac trapte een wagenwijd openstaande deur in toen hij vorig jaar opmerkte: ,,Hoe het toekomstige Europa er uit zal zien zal afhangen van de discussie en de onderhandelingen. En natuurlijk vooral van wat onze volken willen.' Maar hij had, met al zijn vaagheid, wel gelijk.

Chirac reageerde destijds op de geruchtmakende Europa-toespraak van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer. Die vroeg zich af hoe is te voorkomen dat een Europese Unie, met straks misschien wel dertig lidstaten, volstrekt ondoorzichtig wordt, met steeds onbegrijpelijker en merkwaardiger compromissen en een acceptatie onder de EU-burgers die ,,tot ver onder het vriespunt daalt.' Daar had hij ,,een heel eenvoudig antwoord' op: laten we er een volwaardige federatie op parlementaire grondslag van maken.

Er volgde een indrukwekkende reeks reacties, waarin vrijwel het hele spectrum van Europese voorkeuren en gevoeligheden werd afgedekt. Zo beklemtoonde de Belgische premier Guy Verhofstadt dat het noodzakelijk was om het debat over het einddoel van Europa ,,in een hogere versnelling' te brengen, omdat anders de weerstand tegen de uitbreiding van de EU zal toenemen. Hij signaleerde ,,een ongemakkelijke terughoudendheid' tegenover de uitbreiding en de jongste Eurobarometer geeft hem geen ongelijk.

Anderzijds meende, onder anderen, de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Jozias van Aartsen, dat een debat over de politieke finaliteit van de Europese Unie alleen maar afleidt dat de urgente problemen waarmee de Europese burgers in hun maag zitten. ,,De makke van het debat over Europa's politieke toekomst is, dat we, als we niet uitkijken, oeverloos verstrikt raken in institutionele aanpassingen', waarschuwde de Britse premier Blair, die evenmin trek had in een breedvoerig debat.

De Eurotop in Nice in december werd, onbedoeld, een treffende illustratie van Blairs vrees. De bedoeling was daar de EU klaar te stomen voor de ambitieuze uitbreiding met een twaalftal landen in Midden- en Oost-Europa. Maar dat lukte maar ten dele. De beslissing over de definitieve omvang en samenstelling van de Europese Commissie werd uitgesteld, over de stemmenweging in de Raad van Ministers werd een ondoorgrondelijk akkoord bereikt, en de beoogde uitbreiding van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid werd door de grote lidstaten goeddeels gedwarsboomd en zelfs enigszins bemoeilijkt. ,,Je kunt moeilijk zeggen dat de Europese Unie nu klaar is', recenseerde de in Europese zaken gepokte en gemazelde Belgische oud-premier Dehaene vanaf de zijlijn.

De regeringsleiders hadden het zelf ook in de gaten en spraken in Nice maar meteen af dat ze in 2004 nog eens zullen proberen de Europese Unie transparanter, besluitvaardiger en democratischer te maken. Lukt dat niet, dan dreigt, volgens de Finse premier Paavo Lipponen, voor Europa een unieke combinatie: economische gigant en politieke dwerg.

De Nederlandse staatssecretaris Benschop van Europese Zaken ziet in het Europa-debat ,,de kiemen van twee posities': enerzijds een beperking van de Europese agenda tot kerntaken in combinatie met een versterking van de instituties; en anderzijds een bredere agenda met veel ruimte voor `nieuwe integratie-methoden' en een veel `zachtere' invulling van de institutionele structuur. Fischer en Verhofstadt zouden de eerste kiem koesteren, rond de tweede leek Benschop, naast Blair, zelf positie te kiezen. Als ze de verkeerde keuzes maken, waarschuwde Eurcommissaris Frits Bolkestein onlangs, dan ,,loert desintegratie en politieke verlamming om de hoek'.