Een historie van arbeiders en baronnen

Voor de grote textiel- baronnen was het leven goed, maar voor de arbeiders leverde de textiel maar een schamel bestaan op.

DE TEXTIELFABRIEK aan de Haaksbergerstraat is al bijna vier decennia dicht, maar de vijftig meter hoge schoorsteen is gespaard gebleven. GERHa Jannink en Zonen 1900 staat er op gekalkt. De schoorsteen vormde, samen met honderd andere (inmiddels gesloopte) pijpen, de skyline van de bloeiende textielstad Enschede.

De bekendste textielbaronnen waren de Janninks, de Van Heeks en de Blijdensteins. Hun illustere namen leven voort in de hoofdstad van Twente: zo heeft Enschede het Museum Jannink, het Van Heekplein en het Blijdensteinpark. De fabrikanten speelden een allesbepalende rol in de geschiedenis van Enschede. Wie over Enschede sprak, sprak over textiel.

Dat was al zo in de achttiende eeuw, toen kleinhandel en landbouw de hoofdmiddelen van bestaan vormden in Enschede en omgeving. ,,Er werd veel vlas verbouwd, dat bijna in iedere boerenwoning tot linnen werd gesponnen en daarna tot doek geweven'', schrijft T. Wiegman in zijn boek Kleine historie van Enschede (1989). ,,In 1728 stichtten twee ondernemende mannen, Herman en Jan Jacobszoon van Lochem, in Enschede een kleine fabriek voor het weven van `bombazijn', een product van half linnen en half [geïmporteerde] katoen. Gevolg: de huisindustrie onderging een belangrijke verandering. Het voorbeeld van de mannen werd al spoedig door anderen gevolgd en zo ontstonden meerdere handweverijen, blekerijen en ververijen.''

In 1778 deed in Enschede een familie haar intrede, die ,,grote invloed had op de ontwikkeling van de stad'', zo staat te lezen in het boek Stad en Land van Twente (L.A. Stroink, 1962). ,,Hendrik Jan van Heek oefende hier het bedrijf van `fabrikeur' uit. Hij gaf huiswevers kettingen en inslagcops, om het gerede doek terug te ontvangen en dit af te werken door bleken en eventueel verven en kalanderen (persen, red.).''

De industrialisatie van Enschede nam snel toe, zo stelde ook koning Willem III vast, die op 1 mei 1862 een rijtoer door Enschede maakte. Zes dagen later kreeg de stad te maken met een grote brand, die vijfzesde van de gemeente verwoestte. Acht textielfabrieken gingen in vlammen op, 3.675 mensen werden dakloos.

Stroink meldt in zijn boek dat ,,de Burgeroorlog in de VS (1861-1865) juist in die tijd de aanvoer van katoen voor de industrie in Europa verhinderde. (..) De katoenindustrie in Europa kwam in grote moeilijkheden. (..) Tenslotte betekende de brand voor verschillende firma's een sprong vooruit, daar zij in de gelegenheid waren hun bedrijven moderner op te bouwen en van de laatste verbeteringen te voorzien''. Kort na de brand verkreeg het geïsoleerde Enschede aansluiting op het spoorwegnet, in 1864 opende de Twentsche Industrie- en Handelsschool haar deur en twintig jaar later kreeg het `kleine' Enschede 621 hectare van buurgemeente Lonneker, waardoor de uitdijende textielbedrijven de ruimte kregen.

Enschede maakte een stormachtige ontwikkeling door. Van heinde en verre, vooral uit door armoede geplaagde gebieden als Zuidwest-Friesland, Noordwest-Overijssel, Drenthe en Groningen, trokken werknemers naar de textielstad om hun geluk te beproeven. In de periode tussen de twee wereldoorlogen deden zich grote spanningen voor tussen werkgevers en werknemers, met als hoogtepunten twee lange stakingen: in 1923-1924 en (in de crisisjaren) 1931-1932. In het boek Historie van Enschede (1984) schrijft G. Kokhuis dat de staking van 1923 het gevolg was van een dreigende loonsverlaging van 10 procent. In het hele land werden collectes gehouden om te voorkomen dat de arbeiders en hun gezinnen verhongerden. Uiteindelijk bleef de loonsverlaging beperkt tot 7,5 procent.

De textielfabrikanten bepaalden het maatschappelijk leven: ze lieten parken, wijken en scholen bouwen, maar intussen kneedden ze hun personeel met harde hand. Kokhuis vertelt in zijn boek dat ,,de inkomensverschillen enorm waren''. In 1920, legt hij uit, verdienden 55 werkgevers in Enschede samen meer dan dertig miljoen gulden, terwijl in dezelfde stad 3.733 werknemers samen 6,3 miljoen aan salaris ontvingen. Communistische en socialistische politici verzetten zich tegen die verrijking, maar dat leverde hen bij de verkiezingen geen spectaculaire winst op. De confessionele vakbonden toomden de ontevredenheid onder de werknemers in.

Toch staat in Historie van Enschede ook te lezen: ,,Bij de arbeider vatte de gedachte post dat alles beter was dan zijn kinderen naar de textiel te sturen. Zelfs leefde die gedachte bij textielarbeiders die zelf een redelijk bestaan in de textiel hadden. Mensen gingen nog liever in Duitsland in de textiel werken omdat de fabriekssfeer daar veel humaner was dan in Enschede.''

G. Poelman (81), van 1957 tot 1978 vakbondsbestuurder van het NVV, beaamt dat de textielwerkgevers hun personeel vóór de Tweede Wereldoorlog ,,koeioneerden''. Na de bezettingstijd, waarin het bijna 100.000 inwoners tellende Enschede zwaar werd gebombardeerd, ,,moesten de baronnen door de harde CAO-gevechten anders piepen''. ,,Ze leidden reorganisaties, ze haalden Italianen, Spanjaarden en Marokkanen binnen. Maar door de mondialisering van de textielindustrie, de concurrentie van de lagelonenlanden, ontstond er een niet te stoppen afkalving.''

Na 1966 ging het verder bergwafwaarts. Het begon met werktijdverkortingen, gevolgd door massaontslagen en faillissementen. Poelman: ,,In 1957 werkten er nog 23.000 mensen in de Enschedese textiel, exclusief de toeleveringsbedrijven. Zo'n 25 jaar later bijna niemand meer.''