Een bijtend beeldje

Eigenlijk is het een beeld van niks. Een marmeren man waarvan het gezicht is verteerd door de erosie van de tijd, met vage gaten waar de ogen en de mond hebben gezeten. Armen en benen zijn grotendeels verdwenen.

Maar de Romeinen zijn eraan verknocht. Dit beeld, op een pleintje achter piazza Navona, is de stem van het volk. Al eeuwen lang levert het vlijmscherp commentaar op hoge heren.

Archeologen herinneren eraan dat de halfnaakte figuur waarschijnlijk de Griekse held Menelaos voor moet stellen. Het zou een Romeinse kopie zijn van een hellenistisch beeld. Maar voor de Romeinen van nu is het Pasquino. Dat is de beroemdste van de zes sprekende beelden in de stad waar geschreven schimpscheuten op werden vastgeplakt. Dit was een manier om de censuur te omzeilen van de paus, tot 1870 de baas in Rome. Pasquino is het enige beeld dat nog steeds praat. Soms blijft het even stil, maar een paar weken geleden kondigde een groot wit vel aan: Pasquino gaat weer praten. En nu, in het heetst van de verkiezingscampagnes voor een nieuw parlement en voor een nieuwe burgemeester, hangt het beeld vol papiertjes waarin politici op de korrel worden genomen. De meeste zijn, zoals de traditie wil, op rijm en geschreven in Romeins dialect.

In een lang gedicht schrijft Pasquino over de teloorgang van idealen en voor wie wil reageren heeft hij ook zijn e-mailadres erbij gezet. Aan de zijkant van het beeld hangt een lofrede op de rechtse kandidaat voor het burgemeesterschap van Rome, met daaronder, ook op rijm, boos commentaar. Een kort gedichtje is van zeven jongens uit de Siciliaanse stad Corleone die fel uithalen naar de rechtse oppositieleider Silvio Berlusconi.

Het beeld is in 1501 gevonden en toen op zijn huidige sokkel gezet. Waarom het de naam Pasquino heeft gekregen, is niet helemaal zeker. Een theorie is dat indertijd in deze wijk een zekere maestro Pasquino woonde, mogelijk een kleermaker, een kapper of tavernehouder, die bekend stond om zijn kritiek op het pauselijk bestuur dat toen de dienst uitmaakte in Rome. Al vrij snel nadat het beeld op zijn plaats was gezet, werden er schotschriften op bevestigd. De Nederlandse paus Adrianus VI, die een jaar aan de macht is geweest (1522-1523), was een belangrijk doelwit. Hij had zich zo impopulair gemaakt met de strenge hervormingen die hij wilde doorvoeren, dat het beeld vol kwam te hangen met kritiek. De overlevering wil dat Adrianus hierover zo boos werd dat hij het beeld in de rivier de Tiber wilde laten gooien. Zijn adviseurs ontraadden hem dat, want, zo zeiden ze: net als de kikkers gaat Pasquino in het water alleen maar luider kwaken.

Het Nederlandse woord paskwil, spotschrift, laat zien dat de niet-aflatende en onverbloemde kritiek van Pasquino tot ver over de grenzen van het pauselijke rijk te horen moet zijn geweest. Een van zijn bekendste uitspraken, terug te vinden in veel gidsen over Rome, is zijn bijtende uithaal naar paus Urbanus VIII, uit de familie Barberini. Deze liet in de zeventiende eeuw de antieke bronzen dakbalken uit het voorhof van het Pantheon weghalen, om het metaal te kunnen gebruiken voor het baldakijn dat Bernini had ontworpen boven het hoofdaltaar in de Sint Pieter. Met een verwijzing naar eerdere plunderingen van Rome schreef Pasquino toen, deze keer in het latijn: wat de barbaren niet hebben gedaan, hebben de Barbarini gedaan.

Ook na het einde van de pauselijke staat, in 1870, is de katholieke kerk een belangrijk mikpunt gebleven. Op de sokkel van het beeld hangen nu tekeningen met gedichtjes tegen Radio Vaticaan, omdat de antennes daarvan een gevaarlijk hoge straling zouden afgeven. Ook is er een spotprent waarin de Italiaanse politici een overdreven onderdanige houding tegenover de paus wordt verweten: ze zitten allemaal geknield met hun achterste naar hem toe.

Slechts één hekeldicht, tegen Berlusconi, is er half afgescheurd. Voor de rest behandelen de Romeinen Pasquino met respect. Veel mensen blijven even staan om de briefjes te lezen. De meeste aandacht trekt een berijmde verzuchting, in onvervalst romanesco, dat alle partijen corruptie zijn. Veel vertrouwen in de politiek heeft Pasquino nooit gehad.