Cultuur verliest slag om vrije tijd

Als begin van een reeks artikelen over cultuur en beleid en als opmaat tot een openbaar debat stellen Andries van den Broek en Jos de Haan vast dat de alleszins reële `culturele groeiverwachting' niet is ingelost. Ze schetsen drie toekomstbeelden van het culturele landschap. Beleidsmakers bij overheid en culturele instellingen staan voor de uitdaging de gewenste uitkomst te bevorderen.

Het vierjaarlijkse ritueel van de procedure rondom de cultuurnota ligt alweer enige tijd achter ons. Culturele instellingen tellen hun zegeningen of likken hun wonden, naar gelang hun subsidieaanvraag al dan niet (volledig) werd gehonoreerd. Normaliter keert de rust dan snel terug, zo echter niet deze keer. Door het grote aantal subsidieaanvragen dat de Raad voor Cultuur in korte tijd moest beoordelen is de cultuurnota-procedure zelf ter discussie gesteld. Zowel de Raad voor Cultuur als het ministerie van OCenW zijn bezig deze procedure door te lichten. Zonder meer een belangrijk aandachtspunt, in ieder geval een discussie die verder reikt dan gehakketak over individuele subsidie-afwijzingen.

Niettemin is er reden om het perspectief verder te verruimen en ook de vraag te stellen naar het culturele landschap van de toekomst. Hier concentreren we ons op de toekomst van het cultuurbereik. Onze schetsen van de publieke belangstelling voor kunsten en erfgoed in 2030 zijn gebaseerd op de bestaande spanning tussen de competentie om van cultuur te genieten en de competitie om de beschikbare vrije tijd.

Wie zich over recente ontwikkelingen in het cultuurbereik buigt, ontdekt al snel dat de sterke groei van het opleidingsniveau en het cultuuraanbod niet tot een sterke groei van de culturele belangstelling heeft geleid. Dit is een even belangwekkende als verbazingwekkende constatering.

Eén van de spaarzame sociologische wetmatigheden is dat men vaker naar musea gaat en vaker uitvoeringen van toneel en klassieke muziek bezoekt naarmate men meer opleiding genoten heeft. Dit gold ook in het begin van de jaren zeventig. Sindsdien voltrok zich een flinke stijging van het opleidingsniveau. Wie in 1970 had geweten van de op handen zijnde onderwijsexpansie, zou vast voorspeld hebben dat in het kielzog daarvan ook het cultuurbereik een hoge vlucht zou nemen. Voorkennis van het aanzwellend aanbod aan kunst en erfgoed zou die verwachting nog hebben versterkt. De culturele agenda is enorm uitgebreid, klassieke cd's zijn voor een luttel bedrag bij de drogist te koop en fraaie boeken over kunst zijn voor iedere beurs bereikbaar.

Deze alleszins reële culturele groeiverwachting is echter niet ingelost. De verklaring daarvoor ligt niet in het ontbreken van belangstelling voor esthetiek. De aantrekkingskracht van design en mode duidt juist op een esthetisering van het dagelijks leven.

Wat weerhoudt hoogopgeleide nieuwe geboortejaargangen er dan van om meer culturele activiteiten aan de dag te leggen?

Tegelijk met opleidingsniveau en cultuuraanbod groeide het aantal bestedingsmogelijkheden van de vrije tijd. Welvaartsgroei, ontkerkelijking en het informeler worden van het sociale verkeer ondergroeven vroegere financiële, religieuze en sociale restricties op de vrijetijdsbesteding, waardoor men in de vrije tijd vrijer de eigen voorkeuren kan volgen. Gevoegd bij de erosie van de idee dat cultuur van een kwalitatief andere orde zou zijn, had dit tot gevolg dat cultuur in een open competitie om de besteding van de vrije tijd verwikkeld raakte.

Dat betekent dat er minder trouwe klandizie is en dat voortdurend de kans bestaat dat een andere dan een culturele activiteit de voorkeur krijgt. Enerzijds groeide het potentiële cultuurpubliek (meer competentie), anderzijds kwam dat publiek aan meer verlokkingen bloot te staan (meer competitie). Goeddeels ontdaan van de idee dat cultuur van een andere orde is, concurreert cultuur met andere vormen van vrijetijdsbesteding om de vrijblijvende aandacht van de consument. Bevredigen culturele activiteiten niet dan worden ze voor andere ingewisseld.

Meer competentie begunstigt het cultuurbereik, meer competitie belemmert dat bereik. De toekomst van het cultuurbereik ligt besloten in de ontwikkeling van de spanning tussen deze twee krachten. In die zin lijkt het een goede keus dat in cultuurbeleid meer nadruk wordt gelegd op cultuureducatie.

Of die inspanningen vrucht zullen dragen is echter onzeker, omdat niet op voorhand duidelijk is dat een paar uur cultuureducatie op school voldoende gewicht in de schaal leggen tegenover de continue concurrerende socialisatie op het schoolplein en in de media. Accentverschillen in het precaire evenwicht tussen competentie en competitie kunnen op den duur uiteenlopende uitkomsten tot gevolg hebben. Onze drie toekomstscenario's zijn op drie verschillende accenten gebaseerd: media-inflatie, multitainment en reculturatie.

In het marginaliseringsscenario zal cultuur in 2030 zijn overschaduwd door andere interesses. De culturele sector kan geen gelijke tred houden met de intensivering van de concurrentie om de vrije tijd, waarin aanbieders van commerciële vrijetijdsdiensten steeds hoger inzetten op belevenissen en emoties, op effectbejag en spektakelwaarde. De culturele sector verkeert daarbij in een nadelige uitgangspositie, die spoedig tot een flinke achterstand uit zal groeien.

Verfijnde en concentratie vergende cultuuruitingen lenen zich slecht voor de met veel mediaspektakel omgeven promotiecampagnes waarmee de strijd om de vrije tijd wordt uitgevochten. Dit zet een neergaande spiraal in gang: geleidelijk raakt cultuur in de media ondergesneeuwd, waardoor het uit gezichtsveld en belevingswereld van het brede publiek verdwijnt. Dit proces wordt versterkt door het opgroeien van cultureel anders geprogrammeerde generaties, die van jongs af aan op de vrijetijdsindustrie zijn gericht. Uiteindelijk rest slechts een kleine schare cultureel ingewijden.

In het consolideringsscenario lukt het de culturele sector een plek in het totale aanbod aan entertainment te behouden, door adequaat op de omnivore smaakvoorkeuren van het publiek in te spelen. De cultuursector krijgt die consolidering niet in de schoot geworpen. Integendeel, de sector moet zich inspannen om het lijfsbehoud veilig te stellen, door cultuur in de verhevigde strijd om de vrije tijd telkens weer als boeiende belevenis aan te prijzen bij een publiek dat in steeds grotere getale een cultuurrelativistische inslag heeft. De gedachte dat een goed cultureel product vanzelf klandizie trekt, wordt dan ook verruild voor het inzicht dat zelfs de fraaiste tentoonstelling en de mooiste uitvoering aan de man gebracht dienen te worden. Marketing wordt serieus ter hand genomen, om omnivore consumenten ertoe te verleiden een beetje cultuur in hun vrijetijdsrepertoire op te nemen.

Het herwaarderingsscenario, tot slot, voorziet een herontdekking van cultuur, als reactie op een toenemende verzadiging met het aanbod van de vrijetijdsindustrie. Wanneer een goede opleiding, leuke baan en royaal vrijetijdsrepertoire gemeengoed worden, dringt zich de vraag op welke vrijetijdsbesteding nog toegevoegde waarde heeft. Naarmate materieel gewin en markante belevenissen in dit opzicht hun glans en meerwaarde verliezen, komt cultuur opnieuw in beeld als brandpunt van persoonlijke identiteit en interesse. Belangrijk daarbij is het inzicht dat cultuur, anders dan menige andere vrijetijdsactiviteit, meer bevrediging schenkt als men er meer tijd aan besteedt. Bovendien begint men te beseffen dat de suggestie van almaar meer spektakel en amusement op almaar dunnere en doorzichtigere formules berust. Persoonlijke bevrediging blijft weliswaar onverminderd de maat der dingen, maar het daarbij gehanteerde criterium verschuift van enerverend naar esthetisch, van hoog vermakelijkheidsgehalte naar grote verbeeldingskracht.

Of één van deze drie mogelijke toekomsten werkelijkheid zal worden – en welke – is moeilijk te voorzien en nog moeilijker te sturen. De scenario's bezitten elk een eigen logica en een zekere beleidsresistentie. Beleidsmakers bij de overheid en bij culturele instellingen staan niettemin voor de uitdaging om het door hen gewenste scenario te bevorderen en onwenselijke scenario's tot self-denying prophecies te maken. Daar zullen zij een harde dobber aan hebben.

Gegeven het cultuurpolitieke uitgangspunt van een ruim cultuurbereik, lijkt de wenselijkheid van deze drie scenario's omgekeerd evenredig aan hun vanzelfsprekendheid. Het scenario waarin het cultuurbereik marginaliseert, lijkt meer in het verlengde van huidige ontwikkelingen te liggen dan het scenario waarin cultuurbereik een nieuwe bloeiperiode tegemoet gaat. Continuering van de trend naar meer competitie luidt welhaast vanzelf het marginaliseringsscenario in, of, in het beste geval, het consolideringsscenario. Het herwaarderingsscenario, daarentegen, vergt een trendbreuk in de richting van meer culturele competentie en interesse. Het is niet zeker dat zo'n trendbreuk door beleid van overheid en van culturele instellingen teweeggebracht kan worden.

In reactie op deze scenario's noemde Winnie Sorgdrager, voorzitter van de Raad voor Cultuur, het herwaarderingsscenario het mooist, om daar in één adem aan toe te voegen dat de logica van het marginaliseringsscenario haar groter leek. Zij vatte de spanning tussen wenselijkheid en vanzelfsprekendheid op als een uitdaging aan beleidsmakers om te laten zien dat beleid niet machteloos staat in het bewerkstelligen van het wenselijke.

Scenario's hebben tot doel om een toekomstgerichte discussie los te maken, niet zozeer om accurate voorspellingen te doen. We zijn benieuwd naar reacties uit de politiek en uit het culturele veld. Hoe beoordeelt men de geschetste analyse? Welke toekomst acht men waarschijnlijk? Welke toekomst acht men wenselijk? Welke instrumenten denkt men in te zetten om het wenselijke te realiseren en om het onwenselijke af te wenden?

Andries van den Broek en Jos de Haan zijn verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Op basis van bovenstaand stuk zal op 8 juni in Amsterdam een debat over cultuur en beleid worden gehouden. Vooruitlopend daarop zullen de komende weken op deze pagina fractievoorzitters uit de Tweede Kamer hun visie ontvouwen over de toekomst van de cultuur.

Lezers kunnen via internet hun bijdrage aan de discussie leveren:

kunstvoorwie@tegenspraak.nrc.nl