ABP kiest waan van de dag

Pensioenfondsen delen mee in de beursmalaise, terwijl de verplichtingen alleen maar groter worden. Om daaraan te voldoen moeten ze meer risico lopen. Premieverhogingen liggen binnen handbereik.

Geld met geld verdienen. Het is de hoop van werkend en gepensioneerd Nederland. Voor de pensioenfondsen zit er weinig anders op, willen zij de vergrijzing overwinnen. Beleggingswinsten op aandelen, effecten met een vaste rente en vastgoed zijn veruit de belangrijkse inkomstenbron van pensioenfondsen. De pensioenpremies die werkgevers en werknemers samen betalen steken daarbij schraal af.

Blikvanger ABP, Nederlands grootste pensioenfonds dat gisteren zijn jaarverslag presenteerde, heeft het geld: 327 miljard gulden beleggingen. ABP werkt voor 2,2 miljoen (voormalige) werkers in de sectoren onderwijs en overheid. Dat betekent dat de helft van de Nederlandse huishoudens nu of later geld van ABP hoopt te ontvangen.

Kunnen de beleggers van ABP opboksen tegen de driekoppige draak van beursmalaise (min 8 procent nu), stijgende inflatie (richting 5 procent?) en oplopende lonen (4 à 5 procent) plus de daaraan gekoppelde uitkeringen aan reeds gepensioneerden?

De mechanismes zijn onverbiddelijk. Inflatie en loonsverhogingen maken pensioenen duurder, zeker nu gepensioneerden gewend zijn dat hun uitkeringen meestijgen met de lonen. Komt bij dat de werkers bij overheid en onderwijs relatief oud zijn. Ouderen zijn voor pensioenfondsen dure kostgangers.

Nog een jaar als 2000 en de financiële positie van ABP nadert kritische grenzen. De rendementen daalden scherp, de pensioenverplichtingen stegen lustig door. Het beleggingsrendement was 3,2 procent, dat was beter dan het doorsnee Nederlandse pensioenfonds, dat 2,6 procent haalde.

En ABP scoorde ook op de soorten beleggingen (aandelen, obligaties, vastgoed) beter. Het cliché uit de randstedelijke financiële wereld dat in Heerlen suffe beleggers huizen wordt niet gestaafd door feiten.

De dubbelslag van minder rendement en meer pensioenverplichting verzwakte de financiële positie van ABP. De verhouding tussen het vermogen en de pensioentoezeggingen daalde met vijf procentpunt naar 117 procent, nog zeven procentpunt boven de eigen ABP-norm van 110 procent.

Deze becijfering houdt overigens geen rekening met een reserve voor koersrisico's van zo'n 16 procent. Deze buffer van ruim 38 miljard gulden is echter cruciaal wil ABP van de Pensioen- en Verzekeringskamer meer in aandelen mogen beleggen.

Vorig jaar daalde deze buffer met bijna 5 miljard gulden als gevolg van de verliezen op de aandelenportefeuille. Verdere krimp frustreert de beleggingsstrategie die het geld moet verdienen. Meer risico, meer rendement. In die strategie moet het percentage aandelen, dat in het verleden op langere termijn de beste opbrengsten gaf, in de beleggingsportefeuille naar 52 procent in 2002. Of in 2003, die flexibiliteit wil het fonds hebben. Nu vormen aandelen ongeveer 37 procent van de beleggingen, en vastgoed 8 procent.

Om de risico's beter over het voetlicht te brengen gaat ABP met ingang van volgend jaar alle beleggingen én alle pensioenverplichtingen op marktprijzen waarderen. Daardoor zullen de schokken op de financiële markten direct doorwerken in de cijfers van het fonds. Daalt de rente, dan stijgen bijvoorbeeld de pensioenverplichtingen.

Hoe het nieuwe systeem in de praktijk uitpakt, in de cijfers, maar ook in de hoofden van beslissers en toezichthouders, is onduidelijk.

De spanning tussen ideologie en praktijk neemt toe. Voor de waarde van alle bezittingen en verplichtingen kiest ABP straks de waan van de dag. Die cijfers kunnen bij wijze van spreken elke dag op de website worden gepubliceerd. Maar het beleggingsbeleid blijft verankerd in een langetermijnhorizon, die tot 40 jaar kan lopen.

Vragen over de gevolgen van dit nieuwe systeem voor de pensioenpremies die werkgevers en werknemers moeten betalen, ontweek de ABP-top gisteren met verve. De afgelopen jaren liep de premie al op. Als de rendementen zich niet herstellen zijn premieverhogingen louter een kwestie van tijd.