Winkels

Hoewel ik me niet kan voorstellen dat ik als kind belangstelling had voor de winkels waartussen wij in de Zwart Janstraat woonden, moeten ze toch mijn aandacht hebben getrokken. Dat kwam misschien doordat ik er viermaal per dag langs liep toen ik naar de bewaarschool werd gebracht of door de vertrouwde aanblik als ik op het trottoir speelde.

Wij bewoonden de eerste verdieping boven een kruidenierszaak met een etalage die hoofdzakelijk uit roze Kwatta-repen bestond, waarachter een norse, loensende man onduidelijke bezigheden verrichtte tussen koffie- en theebussen van Van Nelle. Hij droeg een zwarte pet die nog dateerde uit de tijd dat hij als brievenbesteller werkzaam was en hij sloeg zijn vrouw wanneer hij volgens mijn moeder de geringe omzet van de dag op haar afreageerde. Haar gejammer en het gestommel van verschuivend huisraad drongen in onze huiskamer door en deden mij angstig de loensende blik vermijden als ik het Rotterdamsch Nieuwsblad bij hem haalde, dat mijn ouders gezamenlijk met hem lazen.

Rechts van ons begon een hele rij winkels in de richting van de Jacob Catsstraat, zoals de elektriciteitszaak van Burgerhout, die er met zijn gezin boven woonde: een aan chronische migraine lijdende vrouw die lampenkappen maakte en twee saaie kinderen, bij wie ik alleen wilde spelen als ik niets anders had te doen. Ze kwamen nooit buiten, daar het meisje haar invalide broertje gezelschap moest houden, dat wankelend rondstuntelde, met zwaaiend bovenlijf en leren beugels om zijn dunne benen. Hij ging in dezelfde winter dood waarin de man van de Kwatta-repen failliet werd verklaard, met het gevolg dat meneer Burgerhout zijn bedrijf uitbreidde door de vrijgekomen ruimte erbij te trekken.

Naast hem verkochten de gebroeders Zwaluw paraplu's, en dan waren er de zeevishandel Neptunus, de zaak in gespecialiseerd fruit van De Koning, en de winkel in servies- en klein speelgoed – zoals kleppers, diabolo's, tollen en glazen stuiters – van `Dame', een bijnaam die de eigenares te danken had aan haar gewoonte om haar vrouwelijke klanten te begroeten met: ,,Dag dame, wat is er van uw dienst, dame?''

Zij werd geflankeerd door De Hoedensalon, die zijn nieuwste modellen, met veel veren en voiles, op smalle hoge vazen in de vitrine had staan, hetgeen een scherp contrast vormde met de waarneembare geur van gebakken vis in het belendende pand van De Liever. Hij was een kleine, magere man met rood krullend haar, het tegenovergestelde van zijn echtgenote, een forse vrouw die opviel door haar bleke huid en de zware, gitzwarte wrong in haar nek. Met hun dochter Becca – zij had dezelfde rode krullen als haar vader – en hun zoon David, die met zijn witte gezicht en zwarte haar sprekend op zijn moeder leek, speelde ik op hun binnenplaatsje tussen de lege palingkistjes.

Buurman van De Liever was een drogist op de hoek van de Burgemeester Roosstraat. Op de andere hoek was de slager Remkes, gevolgd door Bekenkamp, die fijne vleeswaren verkocht, en De Gruijter, met de grote gekleurde tegelwanden en omstreeks Pasen de echte kip en kuikentjes in de etalage. Na De Gruijter kwamen de schoenenzaak Van der Torren, de dubbele winkel van Oskamp – links de grutterswaren en rechts de chocolaterie, verbonden door een tussengangetje – en nog voor de hoek van de Jacob Catsstraat een filiaal van Jamin en de vleeshouwerij van Leeser, waar zaterdags een plasje bloed onder de haak lag waaraan een stuk van een pasgeslachte koe met één poot was opgehangen.

Links van ons huis liep de rij winkels door tot de Zegwaardstraat, met pal naast ons nog een hoedenzaak en vervolgens Linthout, een handelaar in tweedehands meubelen. Hij had een paarsig uiterlijk en stond gewoonlijk met een gleufhoed achteloos op zijn hoofd en een bungelend stompje sigaar aan zijn onderlip in de portiek tussen zijn beide etalages vol verkleurd mahonie en verschoten pluche. Gezien de onveranderlijke opstelling van zijn koopwaar vond die weinig aftrek bij het passerende publiek, dat zelfs geen oog had voor de plaat die tegen een van de ruiten was bevestigd. Zolang wij er woonden is hij nooit verwijderd, en leunend tegen meneer Linthouts gevel heb ik er uren doorgebracht, gefascineerd door de twee erop afgebeelde wegen die elk een geheel verschillende eindbestemming hadden. De ene weg, die aanmerkelijk smaller was dan de andere en waarop zich een aantal menselijke figuurtjes voortbewoog, sommige op krukken of in rolstoelen, langs kerken, ziekenhuizen en begraafplaatsen, leidde naar een stralende hemel, waar de figuurtjes begeleid door engelen naar opstegen. Daarentegen toonde de fatale, maar veel attractievere brede weg taferelen van dansende, drinkende en elkaar omhelzende wandelaars, die langs danslokalen, schouwburgen en cafés regelrecht een vlammende afgrond tegemoet gingen, waar ze door zwarte duiveltjes met een drietand werden opgewacht.

Na Linthout kwamen een manufacturier, wiens winkel heerlijk naar graslinnen rook, het kledingmagazijn Peek en Cloppenburg en de sigarenhandelaar Van Det, een weduwnaar met twee dochters, van wie de oudste na wekenlang te zijn vermist uit de Wijnhaven werd opgedregd. Verder waren er een winkel in zuivelproducten, de slager Van Putte, een aardappelzaak die nog gaslicht had en waar in plaats van aardappelen grote brokken druivensuiker lagen uitgestald, een winkel in schorten en bontgoed, een klein, duister kruidenierszaakje, een groenteman die `de Hakkelaar' werd genoemd, en op de hoek van de Zegwaardstraat een soort laswerkplaats, met opspattende vonken achter donkere ramen.

Het laatste stuk van de Zwart Janstraat in de richting van de Bergweg had slechts een paar winkels. Alleen aan het begin waren een kleermaker en de bakkerij Behle, met een reusachtige klok aan de gevel, en ongeveer in het midden de juwelier Melaerts en de comestibleszaak van Vreugdehil, met noten en gekonfijte zuidvruchten. Aan de overkant van dit laatste stuk waren helemaal geen winkels. Pas ter hoogte van ons huis begonnen ze weer, met Pieterse, de bloemist, op de hoek van de Tweede Pijnackerstraat, en op de andere hoek een sigarenhandel waar altijd een grote gele hond voor de deur lag, met daarnaast de banketbakkers Verhaven en Ales. Op de hoek van de Eerste Pijnackerstraat was De Vlijt, in degelijk ondergoed. Ertegenover werd een onaanzienlijk café gedreven met aangrenzend de sigarenzaak Au Bon Fumeur en tenslotte de herenkapper Hooftman (de eerste winkelier in de straat met een auto), Reynders met een etalage vol reproducties van schilderijen, en de herenmodezaak van Brijs, waarvan de eigenaar toen hij blind werd zich in het woonhuis erboven heeft opgehangen.

's Zomers werd de Zwart Janstraat opgeluisterd door de brede kruinen van de iepen, waaronder tegen het eind van de week de bloemenverkopers zich met hun stalletjes en manden langs de stoeprand opstelden. In de lente rook het er naar seringen en mimosa, in de zomer naar pioenrozen en floxen en in de herfst naar de kruidige asters en dahlia's.

De winkels zijn meermaals van eigenaar verwisseld en de mensen die er hun brood verdienden zijn allang verdwenen, evenals de iepen en de bloemenverkopers. Nu wringt het verkeer zich tussen de trottoirs waarop geen kinderen meer spelen en het niet meer naar seringen en mimosa ruikt.