Onderwijs heeft behoefte aan vitale leraren

De kern van het onderwijs, lesgeven, loopt gevaar. Daar moet snel verandering in komen, meent Jan Drentje.

Niet handelen is soms het beste wat een minister van Onderwijs kan doen. Na decennia van grote onderwijsvernieuwingsprojecten, maakt minister Hermans een beleidsmatige pas op de plaats. Een samenhangende visie op het onderwijs die niet ogenblikkelijk tot de zoveelste veranderingschaos leidt, is niet voorhanden. De prijsvraag die hij naar goed negentiende-eeuws gebruik heeft uitgeschreven, leverde zoals te verwachten viel weinig op. Althans: er werden geen ideeën geformuleerd die een onderwijsrenaissance richting kunnen geven. Meer geld voor gebouwen, inventaris en salarissen is na jarenlang bezuinigen op de onderwijsbegroting natuurlijk welkom, maar de huidige onderwijsmalaise heeft niet in de eerste plaats financiële oorzaken. De kern van het onderwijs, het lesgeven, wordt bedreigd.

De meeste lerarenopleidingen tellen nauwelijks nog studenten. De grijze golf die binnenkort het klaslokaal verlaat, laat een onheilspellende leegte achter. Het onderwijs zoekt zijn heil in computers en vormen van zelfstandig leren. De ontzieling van de school wordt gemaskeerd door een nieuwe onderwijsideologie waarin klassikale kennisoverdracht als achterhaald wordt beschouwd. Van de nood een deugd makend, moeten onderwijsassistenten, instructeurs en allerlei ICT-middelen het gebrek aan vakmanschap voor de klas opvangen. Het lesgeven zelf heeft nauwelijks enige status. Vergaderaars, allerlei beleidsfiguren en figuranten houden zichzelf aan het werk, maar voegen aan de kennis- en cultuuroverdracht aan jonge mensen weinig toe.

De vlucht voor het bord weg is al jaren aan de gang. De meeste managers in het onderwijs zijn bovendien via de bestuurlijke vluchtroute aan het lesgeven ontsnapt en zijn daar zelden rouwig om. Zij danken hun status immers juist aan het niet-lesgeven. Voor de schaalvergrotingsoperaties van de laatste jaren waren zij als manager echter vaak een maatje te klein, zodat het onderwijs in een bureaucratisch verkramping terecht is gekomen. Vakmanschap is ook in het onderwijsmanagement een schaars goed.

Klagen heeft echter geen zin meer. De leraar moet juist uit zijn defensieve rol worden gehaald en zijn plaats voor de klas opeisen. Een eenvoudige analyse en daarop gebaseerde heldere keuzes – en voldoende middelen – kunnen een onderwijzersrenaissance mogelijk maken. Om te beginnen moet eindelijk recht gedaan worden aan het overbekende feit dat de Nederlandse leraren ook in vergelijking met hun Europese collega's al jarenlang teveel lessen geven. De bijbehorende keuze is dat lesgeven aan groepen leerlingen de primaire taak van de leraar behoort te zijn. Vormen van begeleiding van zelfstudie zijn een afgeleide taak. In die onderwijsvisie moet de leraar als vakman er jaar in, jaar uit aardigheid in hebben én houden om groepen jongeren te interesseren voor zaken die niet vanzelfsprekend tot hun belangstellingssfeer horen. De leraar zoekt wel aansluiting bij de belevingswereld van de jongeren, maar deze vormt niet het uitgangspunt.

In het onderwijs moeten daarom altijd – leerzame – weerstanden overwonnen worden. Dat maakt lesgeven zwaar en tevens zo boeiend. Door deze cultureel uiterst waardevolle taak tot ongeveer twintig lesuren per week te beperken, krijgt de leraar weer lucht en ruimte voor andere taken die samenhangen met de begeleiding van zijn leerlingen. Klassikaal en individueel onderwijs kunnen immers goed gecombineerd worden als de leraar minder uren voor de klas staat. Individuele onderwijsvormen kunnen dan een verrijkende aanvulling op het klassikale onderwijs zijn. Die combinatie moet echter een creatief karakter krijgen.

In de huidige variant van het studiehuis betekent het zelfstandig leren vaak het afwerken van talloze opdrachten die het onderwijzershart zelden raken. De overheid heeft de vakinhouden zodanig dichtgetimmerd dat overladen programma's moeten worden doorgewerkt. De keuzes van de leraar zijn daarbij irrelevant. Hij krijgt nauwelijks de gelegenheid zich als vakman te ontwikkelen en te profileren.

Nieuw onderwijsbeleid vraagt dan ook nadrukkelijk om herstel van het vakmanschap in de school. De vakman draagt verantwoordelijkheid voor de lessen en de daarbijbehorende individuele trajecten. De overheid stelt vanzelfsprekend wel algemene richtlijnen vast, maar laat de ontwikkeling van de vakinhouden en de didactiek over aan de beroepsgroepen. Voor het voortgezet onderwijs vraagt dit dringend om een herstel van de band tussen school en universiteit. Het rapport van de commissie-De Rooy voor het vak geschiedenis is hier een succesvol voorbeeld van. Ook de uiterst zinvolle en bij leerlingen populaire introductie van het vak filosofie maakt duidelijk dat alleen onderwijsvernieuwing ter hand genomen door enthousiaste leraren, werkelijk kans van slagen heeft.

Vakmanschap heeft in het huidige verziekte onderwijsklimaat echter een slechte naam, omdat er door beleidsmakers vaak een alibi voor het niet meewerken aan vernieuwingsoperaties in wordt gezien. Het vak was de laatste schans waar veel leraren zich achter konden terugtrekken. Het loslaten van bevoegdheidseisen en relativeren van de verschillende onderwijsgraden zijn hier reacties op. De macht van vaksecties moest worden gebroken. Succesvolle onderwijsvernieuwing kan echter alleen plaatsvinden met inschakeling van de creativiteit van de secties die in plaats van bureaucratisch te worden ingeperkt, hun handen vrij moeten krijgen voor werk waar ze zin in hebben.

Als de lestaak wordt verminderd, er meer vrijheid in de curriculumontwikkeling ontstaat en vakmanschap weer meesterschap is, kan de leraar zich als representant van de beroepsgroep profileren en zijn bijdrage aan de kennis- en cultuuroverdracht leveren. Het beroep ontleent immers zijn aantrekkelijkheid aan de combinatie van de interesse voor een vakgebied en een voorkeur voor omgang met jongeren. Als die kennisoverdracht ongeïnspireerd uur na uur in overvolle klassen moet plaatsvinden, de leraar zich aftobt met het administreren van opgelegde opdrachtenreeksen, verliest het beroep alle aantrekkelijkheid.

Het feit dat de meeste jongeren bij voorkeur geen leraar op een middelbare school willen worden is op de voorbeelden die zij dagelijks voor het bord zien gebaseerd. Het beroep is niet fris meer, niet creatief, er gaat geen vitaliteit vanuit. Jongeren maken vitale keuzes en worden dus geen leraar. Alleen vitalisering van de leraar kan een onderwijsrenaissance in gang zetten.

Jan Drentje is historicus.