`Levensmoeheid werd kwestie'

Hij voorzag eerder dat een hellend vlak als levensmoeheid erkend zou worden in de euthanasieregelgeving. Nu moet J. Legemaate het gerechtshof uitsluitsel geven in de zaak-Brongersma.

Internationaal wordt scherp in de gaten gehouden waar de grenzen liggen van de Nederlandse regels voor euthanasie en hulp bij zelfdoding. En het openbaar ministerie spreekt al van een proefproces. Van het oordeel van J. Legemaate zal dus veel afhangen. Hij is hoogleraar gezondheidsrecht aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit en één van de twee deskundigen die het Amsterdamse gerechtshof gisteren in de zaak-Brongersma heeft ingeschakeld om antwoord te geven op de vraag of een arts hulp bij zelfdoding mag geven aan een hoogbejaarde patiënt die ondraaglijk lijdt door levensmoeheid. De andere deskundige, C. Spreeuwenberg, is onbereikbaar in het buitenland.

Is lijden nooit objectief te meten? Is het daarom alleen aan de patiënt zelf om te oordelen of zijn lijden ondraaglijk is, en daarmee een legale grond voor hulp bij zelfdoding? Dat oordeelde de rechtbank eerder in de zaak-Brongersma. De artsenorganisatie KNMG uitte de vrees dat artsen via `levensmoeheid' gereduceerd worden tot `doorgeefluik' van de dood.

In een reactie gaf ook Legemaate na het vonnis in de zaak-Brongersma in deze krant aan dat de redenering van de rechtbank ethisch misschien juist was, maar juridisch gevaarlijk: ,,De consequentie ervan is dat iedereen die dat wil, in principe euthanasie kan krijgen. Als die uitspraak stand houdt, is het de vraag of artsen verzoeken om euthanasie in de toekomst nog wel kunnen weigeren.''

U hebt in de zaak-Brongersma eigenlijk al aangegeven dat levensmoeheid u een stap te ver is. Gaat u dat het hof ook zeggen?

,,Wat we nu van het hof moeten doen, is gekoppeld aan specifieke vragen. Het gaat bijvoorbeeld ook om de vraag hoe een arts zoiets legitimeert. En mijn reactie van toen was algemeen. We gaan nu ook in het licht van het strafdossier werken. Dat moet ik nog lezen.''

Toch zijn ook de vragen die het hof u stelt principieel. Er wordt niet over Brongersma gesproken, de vragen zijn algemeen van aard.

,,De laatste tijd zijn rond levensmoeheid door alle partijen veel feiten en argumenten op tafel gelegd. Het is een algemene kwestie geworden en zo zijn die vragen ook geformuleerd, ja. Dit spéélt nu.''

En u had daarover al een mening.

,,Het hof noemt drie vragen die wij in elk geval moeten beantwoorden. Maar wellicht zijn er meer vragen en nuttige zaken die mijn collega Spreeuwenberg en ik voor het hof aan de orde stellen. Maar ik kan daar nog niets over zeggen. Ik heb Spreeuwenberg nog niet kunnen spreken over de vraag hoe we dit gaan aanpakken.''

Was dit dan een verrassing voor u? Bent u niet tevoren gepolst?,,Het is niet helemaal een verrassing, maar daar doe ik geen uitlatingen over.''

U bent jurist, Spreeuwenberg is medicus. Denkt u dat u het samen eens kunt worden? Wie gaat straks over de euthanasieregels?,,Het is te eenvoudig om dat zo te stellen. In de regels rond euthanasie zijn beide disciplines verknoopt. Ik denk dat men juist daarom een combinatie heeft willen maken door ons beiden te vragen. Maar dat betekent niet per se dat het een gezamenlijk advies wordt.''