Frankrijk worstelt met trauma Algerije

De Fransen zijn geschokt door de bekentenissen van oud-generaal Aussaresses over wat nog altijd eufemistisch ,,de gebeurtenissen in Algerije' wordt genoemd.

Frankrijk levert opnieuw strijd met de eigen geschiedenis. Aanleiding vormen de vorige week verschenen memoires van oud-generaal Paul Aussaresses, Services spéciaux – Algérie 1955-1957. In het boek bekent de generaal dat het Franse leger onder zijn leiding tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Algerije (1954-1962) op grote schaal heeft gemarteld en gemoord.

De Fransen hebben geschokt gereageerd en weten niet goed wat ze moeten eisen, van de overheid, van de natie, van elkaar: de overheid zelf weet het niet, politici niet, en commentatoren evenmin. Een van hen stelt de generaal en zijn consorten op één lijn met de SS en de Gestapo, ,,twintig jaar na (Hitler)', en eist dat de waarheid aan het licht gebracht wordt om de schijn te vermijden van medeplichtigheid aan misdaden tegen de menselijkheid, tegen Algerije ,,en in de eerste plaats tegen Frankrijk'. Aan de oprechtheid van zijn afschuw hoeft niet getwijfeld te worden, maar bijna veertig jaar na beëindiging van de oorlog is het hoofdstuk ,,Algerije' kennelijk nog steeds te pijnlijk om de juiste rangorde van de slachtoffers onder ogen te zien.

Dat betekent niet dat Aussaresses' verhaal nieuw is. `Iedereen' – zelfs tijdens de oorlog – wist inderdaad dat in Algerije moord en marteling eerder regel dan uitzondering waren. Tal van historici hebben erop gewezen in nog talrijkere boeken (alleen al van Yves Courrières `La Guerre d'Algérie', 1968, werden honderdduizenden exemplaren verkocht), er zijn vele speelfilms en documentaires (Le Chagrin et la Pitié, uit 1969) over gemaakt. En het eerste bewijs werd impliciet geleverd door een direct in 1962 aangenomen amnestie-wet: die was kennelijk nodig.

Aussaresses deed zijn bekentenissen bovendien al eerder, in dagblad Le Monde afgelopen najaar, net als zijn superieur van destijds, generaal Jacques Massu. Toch is de verbijstering nu veel groter, vooral vanwege de cynische toelichtingen (,,Martelen is doeltreffend' en: ,,Ik heb nergens spijt van') die de auteur erop geeft.

Excuses voor het leed dat de Algerijnen is aangedaan op het hoogste niveau van de Republiek zitten er vooralsnog niet in. Naast uitingen van afschuw over Aussaresses' bekentenissen beperken premier Lionel Jospin en president Jacques Chirac zich, bij uitzondering eensgezind, tot een oproep tot verder onderzoek. Door historici. Vorige maand werd al een wet aangenomen die voortijdige ontsluiting van de Algerije-archieven mogelijk maakt.

Het trauma over Algerije lijkt als twee druppels water op dat van Nederland over de onafhankelijkheidsoorlog in voormalig Nederlands-Indië. Daarover zei premier Lubbers in 1988: ,,Het oordeel over de specifieke inhoud van geschiedschrijving komt (...) toe aan vakhistorici (...) maar niet aan de regering.' Het woord ,,spijt' klonk pas voorzichtig in 1995, tijdens het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië. Degenen die nu in Frankrijk aandringen op spijtbetuiging door de Franse staat kunnen er hoop uit putten: ,,Algerije' speelde immers zo'n tien jaar later dan ,,Indië'.

Maar pogingen in het reine te komen met het eigen verleden zijn er. In 1998 erkende de regering-Jospin dat onderdrukking door de politie van een demonstratie voor onafhankelijkheid van Algerijnen, in 1961 in Parijs niet, zoals steeds officieel is beweerd, slechts drie maar tientallen levens had geëist. En in 1999, zevenendertig jaar na beëindiging van de Algerijnse oorlog, keurden Senaat en Assemblée unaniem een wet goed, waarin vastgelegd werd, dat het conflict een ,,oorlog' is geweest.

Tot dan toe was officieel altijd gesproken over ,,operaties ter handhaving van de orde' – ook al vergelijkbaar met de Nederlandse ,,politionele acties' in voormalig Nederlands-Indië . De officieuze term voor de Franse ,,operaties', die volgens sommige schattingen 600.000 mensenlevens eisten, was zo mogelijk nog eufemistischer: ,,de gebeurtenissen van Algerije'.

De Amnestiewetten – in 1968 werd er nog een aangenomen – hebben juridisch onderzoek naar door het Franse leger gepleegde ,,daden' in Algerije altijd in de weg gestaan. Ze vormen nu ook een belemmering om maatregelen te nemen tegen Aussaresses. Daarom zei de oud-generaal deze week na de heftige reacties op zijn bekentenissen kalm ,,het recht aan mijn kant' te hebben. En daarom heeft de mensenrechtenorganisatie Ligue des Droits de l'Homme slechts een aanklacht ingediend wegens ,,verheerlijking van misdaden en oorlogsmisdaden'.

De verwante Fédération Internationale des Ligues de Droits de l'Homme (FIDH) heeft inmiddels wel een aanklacht ingediend wegens ,,misdaad tegen de menselijkheid'. De organisatie acht de Franse amnestiewetten in strijd met het internationale recht. Maar behalve het recht pleiten volgens de generaal ook ,,de bevelen die ik kreeg' hem vrij, daarmee direct naar de Franse overheid, van destijds en van vandaag, verwijzend.

De regering weerstaat vooralsnog ook verzoeken om juridische stappen. Premier Jospin vindt, als altijd, dat justitie onafhankelijk haar werk moet doen en de president, zelf Algerije-veteraan, wijst, ook als altijd, op de onvermijdelijkheid van gruweldaden ,,aan beide zijden' in een oorlog en eindigt steevast met lof toe te zwaaien aan de ,,moedige' mannen die hun leven in de waagschaal hebben gesteld voor het vaderland.

De nationale worsteling met de schuldgevoelens over ,,Algerije' staat niet op zichzelf. ,,Frankrijk moet zijn geschiedenis onder ogen zien' zei Jacques Chirac vier jaar geleden tijdens een herdenkingsplechtigheid voor ,,de onbekende jood'. Het jaar daarvoor, net aangetreden, doorbrak hij, neo-gaullist, een gaullistisch taboe. Als eerste na-oorlogse Franse president erkende hij dat ,,het vaderland van de Verlichting en van de mensenrechten (-) collectief fouten' had begaan ten aanzien van de 76.000 joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Frankrijk gedeporteerd werden en van wie maar drie procent terugkeerde. En in 1998, 103 jaar na zijn degradatie wegens vermeend hoogverraad, werd kapitein Dreyfus in ere hersteld.

Gerectificeerd

Algerije

De documentaire Le Chagrin et la Pitié uit 1971 gaat niet, zoals in het artikel `Frankrijk worstelt met trauma Algerije' (in de krant van woensdag 9 mei, pagina 5) werd gezegd, over de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog, maar over collaboratie en verzet in de Tweede Wereldoorlog.